is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen aan de gemeenschap kan gekweten worden, zoodat een veroordeeling tot betaling aan de vrouw, die onbevoegd is de gemeenschap te beheeren (ait. 124 van het Burgerlijk Wetboek) niet te pas komt; — terwijl bovendien ingevolge art. 108, 2do lid van het Burgerlijk Wetboek de vrouw zonder uitdrukkelijke toestemming (id est volgens constante leer nog wel schriftelijke toestemming) onbevoegd is eenige betaling te ontvangen of daarvoor kwijting te geven, al heeft zij ook machtiging om de betrekkelijke acte of verbindtenis aan te gaan, terwijl zoodanige uitdrukkelijke toestemming in casu ontbreekt;

O. ad a: dat art. 105 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, dat de man als hoofd der echtvereeniging of der vrouw bijstand in rechten verleent of aldaar voor haar verschijnt, zonder te onderscheiden, welke wijze van handelen moet worden gevolgd, naarmate er al of niet gemeenschap van goederen tusschen de echtgenooten bestaat;

dat ook in geen der andere bepalingen van titel V boek 1 van het Burgerlijk Wetboek eenige aanwijzing is te vinden, dat de wetgever bedoelde onderscheiding gewild heeft;

dat tegenover gemelden algemeenen regel de in art. 124 van het Burgerlijk Wetboek voorkomende bepaling, dat de man alleen de goederen der gemeenschap beheert, niet afdoet, dan r dezi inzonderheid de verhouding der echtgenooten onderling j wat het vermogen betreft, regelt, maar daaruit niets omtrent de wijze van optreding in rechten kan worden afgeleid;

dat derhalve deze grond van het raiddel van niet ontvankelijkheid als niet op de wet steunende moetJworden verworpen ;

O. ad h: dat deze bewering is onjuist, aangezien uit art. 105 van het Burgerlijk Wetboek, in verband beschouwd met art. 11 2 van datzelfde Wetboek en art. 815 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering, blijkt, dat de wetgever bij het in rechten verschijnen eener getrouwde vrouw den bijstand van den man en diens machtiging gelijk stelt, zoodat de door haren man gemachtigde vrouw in rechten kan optreden, zonder dat het noodig is, dat ook de man als medêeischer optreedt;

O. ad c: dat het in casu de uitkeering geldt van sommen,