is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terraad is berust, ook vvafc betreft de begrooting vau den boedel en verdeeling daarvan tusschen de erfgenamen;

2o. Schending, immers verkeerde toepassing, door diezelfde rechtbank van art. 4 van de Bepalingen omtrent de samenstelling enz. der priesterraden op Java en Madoera, Staatsblad 1882 no. 152 en van de artt. 75 en 78 van het Regeerings-Reglement, II eu 20 van de Algeineene Bepalingen van wetgeving, door te beslissen: dat bepaaldelijk uit art. 4 voormeld volgt, dat de priesterraden gerechtigd zijn kosten in rekening te brengen en, daar dienaangaande nergens een tarief is voorgeschreven de hoegrootheid der in rekening te brengen kosten — waaromtrent de godsdienstige instellingen zwijgen — moet worden beoordeeld naar de bestaande gebruiken, en volgens die bestaande gebruiken te Soerabaja den priesterraad bij verdeeling van erfenissen een loon toekomt van 5 % over de geschatte waarde des te verdeelen boedels;

3o. Schending, immers verkeerde toepassing, door diezelfde rechtbank van art 4 der Bepalingen omtrent de samenstelling der priesterraden op Java en Madoera door, ofschoon feitelijk als vaststaande is aangenomen, dat het vonnis van den priesterraad van 13 Februari 1888 gewezen is naar aanreiding van en op het door de eerste en tweede requiranten de dato 21 Januari 1888 aan dien raad gediend verzoekschrift, niettemin te beslissen: dat in strijd met het beweren der gedaagden, thans requiranten, ook de belanghebbenden, die de zaak niet voor den priesterraad hebben gebracht, in het betalen der kosten moeten deelen, daar de zaak ook in hun belang gewezen is, en op dien grond ook de andere requiranten mede te veroordeelen tot betaling van de kosten in dat vonnis bedoeld;

4<o. Schending, immers verkeerde toepassing, door diezelfde rechtbank van art. 4 van de Bepalingen omtrent de samenstelling enz. der priesterraden op Java en Madoera, Staatsblad 1882 no. 152 en van art. 168 van het Inlandsch Reglement, art. 3 van de Rechterlijke Organisatie, artt. 75 en 78 van 't Regeerings-Reglement, art. 13 van Staatsblad 1820 no. 22 en Staatsblad 1835 no. 58 door, niettegenstaande feitelijk vaststaat,