is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het Hof, met vernietiging van liet vonnis, waartegen verzet, alsnog den verzochten rechtsingang zal verleenen, met veroor. deeling van den staat in de kosten der vernietiging;

Gezien de stukken;

O. dat uit de door den officier van justitie overgelegde bescheiden genoegzame gronden van bezwaar aanwezig zijn tegen den verdachte, als zoude hij, terwijl hij algemeen ontvanger was te T. P. en als zoodanig het beheer had van 's lands kas (17 Juli 1885 tot 15 November 1888) bedriegelijk en valschelijk in de door hem in voornoemde betrekking geteekende en aan den opiumpachter aldaar verleende kwitantien over de maanden Augustus, September en October 1888 hebben vermeld, dat de opiumpachtschat ad ƒ 15,833,331/2 's maands op 31 Augustus, 30 September en 30 October 1888 zou zijn betaald, terwijl die pachtschat inderdaad reeds lang vóór de vervaldagen was voldaan;

O. dat evenwel de te dier zake door het Openbaar Ministerie verzochte rechtsingang door den raad van justitie is geweigerd op grond dat die feiten, indien zij bewezen waren, geene strafbare valschheid zouden inhouden, omdat zij toch voor niemand eenig nadeel konden opleveren, vermits immers de pachtschat behoorlijk was gestort en de omstandigheid, dat zulks reeds eenige dagen vóór den in de kwitantie vermelden datum, waarop die storting moest geschieden, had plaats gegrepen, aan geene der daarbij betrokken partijen of eenigen derde nadeel koude berokkennen;

O. dat deze opvatting echter is erroneus; dat toch naar de algemeene jurisprudentie en de leer der beste auteurs de voor het bestaan van strafbare valschheid vereischte mogelijkheid van nadeel niet alleen betreft dat van geldelijken of materifeelen aard, maar evenzeer dat, hetwelk uit het aantasten van belangen van zedelijken of maatschappelijken aard voortvloeit, welk laatste immer plaats vindt, wanneer de controle van den staat op het geldelijk beheer zijner ambtenaren en daarmede op de in het algemeen belang gevoerd wordende administratie van 's lands gelden wordt belet;

dat nu in casu de ten laste gelegde valschheid de strekking