is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat deze beslissing berust op twee gronden, als: lo, dat de reclamant, na disciplinair gestraft te zijn door den eerstaanwezenden officier van gezondheid te Tjilatjap, daarover eerst heeft gereclameerd bij den militairen kommandant aldaar, welke echter niet is de onraiddelijke chef van den strafoplegger, als hoedanig moet worden beschouwd de gewestelijke eerstaanwezende officier van gezondheid, en eerst na door dezen te zijn afgewezen, heeft verklaard te verlangen, dat zijne zaak door eenen krijgsraad zou worden onderzocht;

2o. dat de kommandeerende officier te Tjilatjap tot Commissaris instructeur in de zaak van den reclamant heeft benoemd eenen daartoe door den kommandant der 2e militaire afdeeling op Java te zijner beschikking gestelden officier, afkomstig van een ander garnizoen, niettegenstaande art. 4 van het Koninklijk llesluit van 2 November 1873 no. 26 (Staatsblad 1874 no. 28) voorschrijft, dat bij gemis van een voldoend aantal officiereu ook onderofficieren daartoe kunnen worden aangewezen;

O. dat echter beide deze ambtshalve toegepaste middelen van niet ontvankelijkheid behooren te worden verworpen*

O. toch, wat het eerste betreft, dat uit het gehouden onderzoek wel is gebleken, dat het daarin vermelde zich inderdaad zoo heeft toegedragen, maar tevens dat dit niet kan worden geweten aan den reclamant, maar geheel het gevolg is geweest eener verkeerde opvatting zijner superieuren, den eerstaanwezenden officier van gezondheid te Tjilatjap en den militairen kommandant aldaar, welke zeker daartoe waren gekomen ten gevolge eener onjuiste aanschrijving van den gewestelijken eerstaanwezenden officier van gezondheid, en waarvan de laatste op dien grond zich die reclame als tot zijne bevoegdheid behoorende heeft aangetrokken ;

dat nu de reclamant als inferieur ten deze aan de opvatting zijner superieuren gebonden was, en het hem dan, waar de militaire kommandant te Tjilatjap zich als de onmiddelijke chef van den strafoplegger beschouwde, en zijne reclame in behandeling nam, niet mogelijk was dit te beletten en die reclame aan de bevoegde autoriteit te doen toekomen; dat derhalve de reclamant, zooveel