is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschrift door den beklaagde, (hans geappelleerde, niet ujt eigen beweging is opgemaakt en aan zijnen superieur ingediend, maar slechts ten gevolge van eenen last van dien superieur, aan welken hij gehouden was te voldoen en dat wel spoedig, derhalve binnen een tijdsverloop gedurende hetwelk zijne verontwaardiging over de verongelijking, welke hij meende, dat hem was aangedaan, nog zeer levendig moest wezen en op de wijze waarop hij die verongelijking schriftelijk had aan te geven noodzakelijk sterk moest inwerken; dat het ten zeerste aannemelijk is, dat ware hem die last niet gegeven, hij ook niet uit eigen beweging tot de beleedigende handeling, thans door hem gepleegd, zou zijn overgegaan, en dat onder die gegevens moet worden aangenomen, dat die last van den bedoelden superieur, ook al werd dit niet bedoeld, die handeling ten eenenmale heeft uitgelokt;

dat nu het aanleiding geven door eenen superieur tot insubordinate handelingen bij de beoordeeling daarvan door den rechter immer als eene verzachtende omstandigheid wordt in rekening gebracht en het daarbij natuurlijk onverschillig is, of die aanleiding opzettelijk of onwillig is gegeven, indien slechts vaststaat dat hij den dader tot zijne misdadige handeling heeft gebracht;

dat verder mede als zoodanig ten gunste van den beklaagde, thans geappelleerde, moet worden in aanmerking genomen, dat hoe ongepast en beleedigend de door hem gebezigde bewoordingen ook mogen wezen, zij toch niet anders inhouden dan de hartstochtelijke uitdrukking van de grieven, die hij te goeder trouw tegen den bedoeldtn superieur meende te hebben; dat immers het gehouden gerechtelijk onderzoek het zeer aannemelijk heeft gemaakt, dat die superieur om wille der goede verstandhouding wenscbende hem naar een ander garnizoen te kunnen laten overplaatsen, den officier van gezondheid herhaaldelijk uitgenood igd heeft om te onderzoeken cf dit ook op geneeskundige gronden uitvoerbaar zoude wezen, hoewel inderdaad de beklaagde, thans geappelleerde, aan geene ziekte lijdende was; dat nu aan zulk een streven, ook al moge de bedoeling goed zijn, eenige slinkschheid niet ontzegd kan worden, en het alzoo van het