is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze beperkte bevoegdheid ook bij geen andere wet tot feiten, bij het Wetb. van Strafrecht strafbaar gesteld, is uitgebreid, en 2o. de volledige bewijskracht van de in art. 401 Strafvord. bedoelde schriftelijke bescheiden slechts is toegekend aan de op den ambtseed opgemaakte verbalen van hen die in openbare posten, ambten of bedieningen zijn gesteld, waartoe eene wachteres, in dienst van eene particuliere Spoorwegmaatschappij, niet behoort;

O. dat deze beslissing bij het middel van cassatie wordt bestreden op grond dat het proces-verbaal op den ambtseed opgemaakt door een beambte, aan wien bij eenige bijzondere wet de bevoegdheid tot verbaliseeren is verleend, bewijskracht bezit niet alleen ten aanzien van de misdrijven en overtredingen in die speciale wet genoemd, maar ook „ten aanzien van alle gebeurtenissen en feitelijkheden, die hem in de uitoefening van zijne ambtsverrichtingen persoonlijk bejegenen."

O. dat deze stelling is juist;

dat tocli de verbalen en relazen van openbare beambten bij art. 401 in verband met art. 392 Strafvord. als schriftelijke bescheiden en dus als wettige bewijsmiddelen in het algemeen zijn erkend;

dat nu wel voor de geldigheid van het proces verbaal als bewijsmiddel een vereischte is, dat het is opgemaakt door een daartoe bevoegd beambte en betrekking heeft tot hetgeen aan zijn toezicht is toevertrouwd, doch dat aan een en ander is voldaan wanneer, zooals hier, het verbaal afkomstig is van een beambte die, tot verbaliseeren bevoegd, bij proces-verbaal doet blijken van een feit, dat met het hem opgedragen en door hem uitgeoefend toezicht in rechtstreekseh verband staat;

O. dat hierin tevens wederlegging vindt de eerste bedenking van het Hof betreffende het beperkte van de aan de spoorwegbeambten ten aanzien van de opsporing van strafbare feiten verleende bevoegdheid, daar het volgens liet voorafgaande niet de vraag is, of de bevoegdheid dier beambten zich uitstrekt tot het opsporen van andere strafbare feiten dan in art. 72 der spoorwegwet zijn aangewezen, maar alleen, of de beambte het in het proces-verbaal vermelde feit heeft waargenomen in de uitoefe-