is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat, volgens geïntimeerde, de beteekenis dier woorden voor den appellant — zijnde deze toch de kooper geworden — ondubbelzinnig zoude blijken uit eene door haar in hooger beroep overgelegde posterieure acte, den 14den Mei 1 888 voor eenen rechter-commissaris uit den raad van justitie te Batavia sub no. 365 verleden ;

dat daarbij evenwel de (bloote) eigendom van het halve aandeel in het perceel no. 5724 van de laatste (overleden) eigenares op naam van haren zoon, den appellant, als haren eenigen erfgenaam, werd overgeschreven, en die acte dus uit den aard der zaak had behooren te zijn gepasseerd vóór dat appellant in zijne evengemelde hoedanigheid het meerbedoelde perceel inet den eigenaar van de andere helft op de publieke vendutie van31 Maart 1883 verkocht, weshalve, al is die acte nu ook van eene latere dagteekening, de daarin voorkomende verklaring van appellant, dat hij het op zijn aandeel rustend hypothecair verband als eigen schuld op zijn naam aanneemt, niet kan gelden als eene hem bindende interpretatie van de in hoofde dezes genoemde veilconditie, en geintimeerde op die acte dus vruchteloos beroep doet;

dat in verband hiermede alsnog moet worden nagegaan of soms uit het proces-verbaal van verkooping zelf duidelijk blijkt, wat met de woorden „de kooper neemt de hypotheek groot f 8000, voor zijne rekening" — bedoeld is;

dat in het proces-verbaal onmiddelijk onder die woorden te lezen staat:

„Bij gerechtelijke acte dd. 22 Augustus 1887 no. 723 heeft de inlandsche vrouw Mohainie" — geintimeerde — „het levenslang vruchtgebruik van de na te melden perceelen, zoodat slechts de bloote eigendommen met de op htt perceel verponding no. 5724

rustende hypotheek groot f 8000, worden verkocht";

dat, aangezien deze laatste toevoeging het volstrekt niet twijfelachtig maakte of het perceel no. 5724 zoude niet van de hypotheek ontlast worden, de geciteerde aanhef volmaakt overbodig zoude wezen, indien zij — gelijk appellant beweert — geene andere beteekenis had dan eene waarschuwing aan het publiek, dat het te verkoopen perceel niet van de hypotheek zou worden gezuiverd;