is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgekomen tegen de uitlegging, door den rechter a quo aan de acte ?an aanteekening van hooger beroep gegeven, doch de te dien aanzien genomen beslissing van feitelijken aard is, waar. tegen dus geen beroep in cassatie open staat;

O. ten aanzien van het tweede middel:

dat dit middel, in zoover het meer in 't bizonder schending van art. 75 van het Regeerings-Reglement tot object heeft, zijn feitelijken grondslag mist, omdat onderwerpelijk wel degelijk door den rechter a quo de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der Inlandsche partijen, meer speciaal haar hadat of gewoonte, zijn toegepast, zij het dan ook, (althans volgens den requirant) op minder juiste wijze, tengevolge zijner beslissing, dat een hadat niet door getuigen wordt bewezen;

dat deze laatste beslissing echter alleszins juist is en de wet geen voorschriften geeft omtrent de wijze, waarop de rechter tot de kennis van het bestaan eener door hem toe te passen gewoonte moet komen, weshalve hij, zich met de getuigenverklaringen daaromtrent niet kunnende vereenigen, bevoegd blijft het bestaan dier gewoonte volgens eigen wetenschap aan te nemen;

dat onderwerpelijk dus ook de artt. 192 en 193 van het Reglement tot regeling van het rechtswezen in het Gouvernement van Sumatra's Westkust niet door den rechter a quo zijn geschonden ;

O. dat het beroep in cassatie mitsdien behoort te worden verworpen;

Gelet op de art. 134 juncto 127 van vaakgemeld Reglement in Staatsblad 1874 no. 94i en 58 en 432 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering;

Rechtdoende:

Verwerpt het beroep in cassatie;

Veroordeelt den requirant in de kosten daarop gevallen.