is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET IIOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gelezen liet door den landraad te Kraksaan op den 26sten Juni 1893 gewezen vonnis, waarbij de beklaagde Tjan Gwan Djin is schuldig verklaard aan zes en veertig overtredingen van art. 11£ juncto art. 6 van Staatsblad 1849 no. 52, door als pachter van het slachten van rundvee en buffels binnen de afdeeling Kraksaan zes en veertig licenties te verleenen tot het slachten van hoornvee, alvorens dit door den betrokken wijkmeester, het betrokken kampongs- of districtshoofd van een door de plaatselijke autoriteit vastgesteld merk, ten bewijze van keuring, gebrand was en hij overzulks is veroordeeld tot betaling van zes en veertig geldboeten, elk ten bedrage van ƒ 10, of in het geheel van f 460, en in de kosten van het rechtsgeding, met bepaling van den tijd, gedurende welken de beklaagde bij wanbetaling der hem opgelegde geldboeten in gijzeling zal kunnen worden gehouden op twee maanden en acht dagen;

Gezien het afschrift der acte, waaruit blijkt, dat de beklaagde voornoemd op den 29sten Juni daaraanvolgende cassatie van dit vonnis heeft aangeteekend;

Gelezen de door den Procureur-Generaal ingediende conclusie, gedagteekend 8 Augustus 1893, strekkende tot verwerping van het beroep in cassatie én veroordeeling van den requirant in de kosten;

Gehoord het rapport van den Raadsheer Mr. "W. C. Veenstra;

Gezien de stukken, waaronder een door den requirant ter Griffie van voornoemden landraad ingediende memorie van cassatie, gedagteekend 9 Juli 1893;

O. dat de requirant bij die memorie geene middelen heeft opgegeven, waarop hij zijn beroep in cassatie baseert, noch ook eenige wettelijke bepalingen aangeeft, welke in deze door den landraad zouden zijn geschonden of verkeerd toegepast;

O. dat hij dit ook niet bij de acte van aanteekening van cassatie heeft gedaan;

O. ambtshalve dat de landraad bij de bepaling van den tijd, gedurende welken de beklaagde bij wanbetaling der hem opge-