is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De opdracht van de functiën van inlandsch officier van justitie, in geval van afwezigheid, belet of ontstentenis, aan een lid van de rechtbank, bedoeld in art. 62 al. 4 II. Org., heeft alleen de strekking den geregelden dienst op de terechtzitting te verzekeren.

Van zoodanige opdracht door den voorzitter van het college kan geen sprake zijn, zoo in de vervulling van het ambt van inlandsch officier van justitie door het hoofd van gewestelijk bestuur krachtens art. 36 zijner instructie is voorzien.

HET HOOG-GERECHTSHOE VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gezien de stukken van het gerechtelijk onderziek in de zaak van den beklaagde Hekodrono en het in die zaak op 10 Juni 1893 door den landraad te Patjitan gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan diefstal van vee in de weide onder verzachtende omstandigheden en deswege veroordeeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van drie jaren en zes maanden alsmede in de kosten van het rechtsgeding;

Gezien de schriftelijke conclusie namens den Procureur-Generaal, door den Advocaat-Generaal Mr. Ch. H. Nieuwenliuijs genomen, en gedagteekend 29 Augustus 1898 daartoe strekkende, dat het Hoog-Gerechtshof met vernietiging van het vonnis zal bevelen, dat de zaak op nieuw door den landraad zal worden behandeld, te beginnen met de oudste acte waarin de nietigheid is begaan, zijnde het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord het rapport van den raadsheer Mr. C. Rasch;

O. dat de beklaagde tijdig en behoorlijk revisie heeft aangeteekend;

O. dat de Procureur-Generaal bij züne conclusie de onwettigheid van 's landraads zamenstelling beweert en voor alles de al of niet juistheid van deze bewering moet worden onderzocht;

O. dat als Djaksa in de onderwerpelijke zaak heeft zitting genomen Mas Ngabehi Prodjo Atmodjo, patih van de afdeeling Patjitan, aan wien bij besluit van den Resident van Madioen dd. 5 Juni 1893 no. 148/10, bij de processtukkeu aanwezig,