is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de waarneming der betrekking van Djaksa in de afdeeling Patjitan was opgedragen en wel, omdat tengevolge van een Gouvernementsbesluit dd. 26 Mei te voren die betrekking was opengevallen;

O. dat de Procureur-Generaal alsnu beweert, dat de hoofden van gewestelijk bestuur wel is waar krachtens art. 36 van hunne instructie (Staatsblad 1867 no. 114) bevoegd zouden zijn om tijdelijk in de vervulling der vaceerende functiën van een Djaksa te voorzien, maar alleen voorzoover den dienst buiten de terechtzittingen betreft, kunnende die voorziening zich niet uitstrekken tot den dienst op de terechtzitting, omdat toch „art. 62 van „de Rechterlijke Organisatie voorschrijft, dat bij afwezigheid, „belet of ontstentenis van een inlandsch officier van justitie, de „functiën van het Openbaar Ministerie (ter terechtzitting) zullen „worden waargenomen door den onmiddellijk in rang volgenden „inlandschen officier en bij afwezigheid, belet of ontstentenis „van dezen door een lid der rechtbank, aan wien de functiën „van het Openbaar Ministerie tijdelijk door den president zullen „zijn opgedragen" welk art. 62 niet door art. 36 der Instructie voornoemd, zijnde eene koloniale ordonnantie kan zijn krachteloos gemaakt, doch daarnevens geldig blijft, terwijl voorts tusschen een door den Resident met de functiën van Djaksa belasten persoon en die door den President aangewezen of door den Gouverneur Generaal benoemd vele verschilpunten zouden bestaan, o. a. dat de een beëedigd is en de andere niet;

O. dat de Procureur-Generaal dus niet de wettigheid der opdracht van den Resident betwist, maar alleen beweert, dat de waarnemend Djaksa de terechtzitting niet had mogen bijwonen;

O. dat deze beperking geen steun vindt in de wet en niet kan worden afgeleid uit art. 62 van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie waarbij is bepaald, dat de presidenten van de inlandsche rechtbanken, in het daar genoeyade geval van belet, afwezigheid of ontstentenis bevoegd zijn aan een der leden van het college tijdelijk de functiën van het Openbaar Ministerie op te dragen, vermits deze opdracht alleen de strekking heeft den geregelden dienst op de terechtzitting te verzekeren