is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huurrechten op den grond uitoefenden, de planter zich had schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad, slechts een onherstelbaar nadeel werd afgewend en dat bij den aanvang op een tijdstip dat de tusschenkorast van den rechter niet kon worden afgewacht, op grond waarvan is opgeworpen eene exceptie tot niet ontvankelijk verklaring der crimineele vordering ; O. dat echter deze exceptie moet worden verworpen; dat toch, welke de rechten der beklaagden mogen zijn geweest, vaststaat, dat de getuige C., in het feitelijk bezit was van den grond en dat op zijn last en onder leiding zijner ondergeschikten het tabaksplantsoen was daargesteld;

dat het voor de strafschuldigheid der beklaagden er niet toe doet, of genoemde getuige door zijne handeling een onrecht, matige daad pleegde, daar zelfs het bezit ter kwader trouw door de wet tegen hen die eigen richting plegen wordt beschermd ;

dat van een af te weren onherstelbaar nadeel in casu geen sprake kan zijn, evenmin van de onmogelijkheid van rechterlijke tusschenkomst, al moge eene poging om hulp der politie te verkrijgen zonder gevolg zijn gebleven, daar de belanghebbende zich slechts tot den gewonen rechter had te wenden om, zoo zijn recht vaststond, voor alle geleden schade vergoeding te krijgen terwijl het verder te betwijfelen valt of de door of namen a beklaagden gepleegde handeling bij den aanvang heeft plaats gehad, daar de ter zake gehoorde getuigen Pa Senanten en Pa Imbran (die ook den tweeden beklaagde als den wezenlijken dader aanwijzen) onder eede hebben verklaard, dat het ta. baksplantsoen reeds gedurende 5Ü dagen in den grond stond en reeds een paar voet hoog was;

O. dat dus de beklaagden een daad van eigen richting hebben gepleegd, zonder dat van noodweer sprake kan zijn, een daad in casu strafbaar gesteld bij art. 3 65 juncto art. 377 van het Wetboek van Strafrecht voor de European en met gevange. nisstraf van twee tot vijf jaren en gel dboete van ten hoogste een vierde der teruggave en schadevergo eding en ten minste acht gulden;

O. dat echter den rechter termen zijn voorgekomen tot het