is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ander het misdrijf kan hebben gepleegd, te meer daar de moeder, die het kind door bedienden liet begraven, de strik om den hals wel zoude hebben weggenomen;

dat echter al dadelijk deze laatste bewering niet kan opgaan met het oog op de zenuwachtigheid der jonge moeder, die, zoo ze werkelijk voor de eerste keer moeder werd, aan een dergelijke voorzorgsmaatregel niet zal hebben gedacht en niet kon weten, wanneer de dood intrad;

dat verder niemand, wie ook (daar de waarschijnlijke vader volgens beklaagde afwezig was) belang kon hebben bij den dood van het pas geboren kind;

dat bovendien beklaagde zelve heeft gezegd, dat, toen zij de badkamer verliet, het kind dood was, daar bet de lijkkleur had, door haar bij andere kinderen wel opgemerkt en het niet ademde, ofschoon zij, nadat het kind een kwartier bewegingloos was geweest het heeft opgenomen en het gezichtje gereinigd;

dat niemand zelfs kon weten, dat het kind in de badkamer lag, behalve de bediende met de begraving belast, die het kind heeft opgenomen van de plaats hem door de moeder aangewezen en zoo hij zelf zich aan den moord schuldig had gemaakt zich gewacht zoude hebben het lijkje aan zijne makkers te vertoonen ;

dat ten slotte, zoo de strangulatie later heeft plaats gehad, die moet gepleegd zijn op een schijndood kind, daar de moeder het kind als dood achterliet, ingeval van leven geschreeuw moest zijn gehoord en het niet denkbaar is, dat welke belanghebbende ook het kind, dat (zij het ook schijnbaar) dood in een sarong gewikkeld ter neer lag, nog bovendien een strik oin den hals zoude hebben gebonden;

O. dat vaststaat dat beklaagde was ongehuwd en niet blijkt dat zij zich vroeger aan een dergelijk misdrijf zoude hebben schuldig gemaakt;

O. dat op grond van de boven uiteengezette getuigenverklaringen en de daaruit voortvloeiende aanwijzingen als wettig en overtuigend bewezen moet worden aangenomen, dat beklaagde, zooais haar bij vonnis van terechtstelling en bij de acte van beschuldiging is ten laste gelegd, op 2 Mei 1891 ten huize van