is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

advies, daartoe strekkende dat de krijgsraad den reclamant zal ongegrond verklaren met zijne reclame op 4 December ingesteld, met verklaring dat de reclame dermate is ongegrond en lichtvaardig, dat ze aan verregaande oneerbiedigheid moet worden toegeschreven, den reclamant deswege zal opleggen een cachotstraf van acht dagen om den anderen dag te water en rijst en met gelijke tusschenpoozingen in de boeien gesloten, alles met veroordeeling van den reclamant in de kosten op de reclame gevallen, dan wel zoodanige andere beslissing zil nemen als de krijgsraad in goede justitie zal vermeenen te behooren;

O. dat de fuselier A., Algemeen stamboek 110. 32637 op 11 November 1392 door zijnen corpscommandant den LuitenantKolonel der Infanterie H. is gestraft geworden met de straf van veertien dagen kwartierarrest om reden: „zich voor den „morgendienst ziek te melden en door den officier van gezond,,beid belast met den garnizoensdienst niet ziek te zijn bevonden'' en op 15 November d. a. v. door den wd. corpscommandant den Kapitein der Infanterie L. met de straf van acht dagen provoost om dezelfde boven vermelde reden;

O. dat de reclamant op 4 December 1892 van de strafreden der beide straffen heeft gereclameerd en op 11 December door den wd. afdeelingscommandant met zijne reclame werd afgewezen vopr zoover ze betrof de straf van acht dagen provoost door hem ondergaan van 15 — 23 November en op 29 December eveneens werd afgewezen, voorzoover de reclame de straf van veertien, dagen kwartierarrest betrof, welke door den reclamant werd ondergaan eerst van 11 November tot 15 November en daarna van 23 November tot 3 December 1892, en dat hij telkenmale verzocht heeft, dat zijne zaak door eenen krijgsraad zou worden onderzocht;

O. dat volgens art. 1 alinea 2 van Staatsblad 1874 no. 28, zooals dit is gewijzigd bij Staatsblad 1881 110. 49 een reclame over een opgelegde straf door een gestrafte onmiddellijk na het ondergaan der geheele straf kan worden ingebracht, terwijl de derde alinea van evenverme'd artikel een tijdsverloop van driemaal vier en twintig uren na het ondergaan der geheele straf LXI. 26