is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Augustus 1893, waarbij hij is schuldig verklaard aan „dienst, weigering door het als minder militair uitdrukkelijk weigeren en opzettelijk nalaten een order van een superieur na te komen, in eene andere gelegenheid dan eene affaire tegen den vijand of in eene plaats, welke dadelijk belegerd of berend is, onder verzachtende omstandigheden" en deswege veroordeeld tot de straf van militaire detentie voor den tijd van ééne maand, met verwijzing voorts i.i de kosten en misen der justitie, alsmede in die van den processe;

Gelezen den namens den appellant R. O. op den 13den September 1893 gedienden eisch in appel, waarbij wordt geconcludeerd dat het Hoog-Militair-Gerechtshof, met ontvangst van het appel en met vernietiging van het vonnis, waarvan appel, den krijgsraad onbevoegd zal verklaren om van de onderwerpelijke zaak kennis te nemen, met verwijzing naar de bevoegde autoriteit, zijnde de plaatselijk militaire kommandant te Meester-Cornelis, ten einde den beklaagde, thans geappelleerde, des geraden oordeelende, disciplinair te corrigeeren, zooals hij zal vermeenen te behooren, met veroordeeling van den lande in de kosten in beide instantien gevallen;

Nog gelezen de namens den geappelleerde op den 20sten September 1893 gediende schriftuur van antwoord in appel, waarbij wordt geconcludeerd tot vernietiging van het hierboven gemeld vonnis van den krijgsraad te Weltevreden en tot toewijzing van den in appel gedanen eisch cum expensis;

Gezien de verdere stukken van den processe, zoo ter eerste instantie, als in appel gediend;

O. dat de appellant R. O., naar aanleiding van 's Hofs resolutie van 4 Augustus 1893 no. 54, waarbij de Advocaat-Fiskaal voor de land- en zeemacht in Nederlandsch-Indië gemachtigd werd van het tegen den beklaagde gewezen vonnis in het belang van de Hooge Overheid te provoceeren aan den Hove, te bekwamer tijd heeft gediend van eisch in appel;

O. dat de krijgsraad te recht op de gronden en bewijsmiddelen, in het vonnis vermeld, als wettig en overtuigend bewezen heeft aangenomen, dat de beklaagde, thans geappelleerde, op 1