is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg" en ter zake veroordeeld tot de straf van dwangarbeid in den ketting voor den tijd van vijf jaren en in de kosten en misen der justitie, mitsgaders in die van den processe, met vervallen verklaring van den militairen stand;

Gelezen don namens den appellant op den 9den November 1S93 gedienden eisch in appel, waarbij wordt geconcludeerd tot vernietiging of correctie van het hierboven gemeld vonnis van den krijgsraad te Padang ofte tot andere;

Nog gelezen de door den geappelleerde R. O. op den 13den November 1393 gediende schriftuur van antwoord in appel, waarbij wordt geconcludeerd, dat het Hoog-Militair-Gerechtshof het door den krijgsraad tegen den beklaagde gewezen vonnis zal vernietigen, zoomede de in zijne zaak gehouden procedure voorzooveel die in strijd is met de artt. 247 sqq. van het reglement op de Rechtspleging bij do Landmacht, met last om op nieuw de zaak te behandelen en te berechten, met inachtneming dier bepalingen;

subsidiair:

dat het Hoog-Militair Gerechtshof, met ontvangst van het appel en vernietiging van het vonnis, waarvan appel, den beklaagde alsnog zal vrijspreken van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, met last dat hij onmiddellijk uit zijn arrest zal worden ontslagen, ten ware hij om andere redenen in arrest behoort te blijven en met veroordeeling van den Lande in de kosten der appellatoire instantie;

Gezien de verdere stukken van den processe, zoo ter eerste instantie, als in appel gediend;

O. dat de beklaagde, thans appellant, te bekwamer tijd van het tegen hem gewezen vonnis is gekomen in hooger beroep;

O. dat de Advocaat-Piskaal voor de Land- en Zeemacht in Nederlandsch-Indië bij zijn antwoord in appel heeft aangevoerd, dat, daar thans appellant beweerd heeft, nooit militair te zijn geweest, met andere woorden, dat het hem ten laste gelegde behoorde tot de kennisneming van den burgerlijken, niet van den militairen rechter, de procedure, voorgeschreven bij art. 247 sqq. der Rechtspleging bij de Landmacht, had moeten zijn ge-