is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook steeds zoowel de ééne als de andere van die beide akten ter terechtzitting door den Ambtenaar van het O. M doen voorlezen.

De derde Afdeeling van den 2den titel van hoofdstuk IV handelt over de beraadslaging en liet vonnis.

Het in deze Afdeeling voorkomende art. 344 schrijft voor dat de beraadslaging zal plaats hebben naar aanleiding van de tegen den beklaagde ingebrachte beschuldiging.

Ilier doet zich dus weer, evenals boven, de vraag voor wat door de laatstgenoemde uitdrukking moet worden verstaan, of namelijk die beschuldiging zich uitstrekt tot al hetgeen in de door den Landraad voorzitter uitgevaardigde akte van overwijzing aan den beklaagde is ten laste gelegd, dan wel behoort te worden beperkt tot hetgeen daaruit in de door den Ambtenaar van het O. M. opgemaakte akte van beschuldiging is overgenomen, en of alzoo de Araf^gemelde dan wel de eerstge melde akte in deze behoort te praevaleeren.

Dat het met het oog op de gevolgen, die zulks hebben kan, lang niet onverschillig is, hoe die vraag wordt beantwoord, kan blijken uit een arrest van het Hoog-Gerechfshof van N. I. dd. 26 Mei 1886 no. 223, waarbij een onder mijn praesidium gewezen vonnis van het Omgaand gerecht te Soemenep dd. 11 Maart 1886 in revisie werd vernietigd, en welke beide beslissingen te gelijk met eenige aanteekeningen van mijne hand in no. 1230 van het Indisch Weekblad van het Recht zijn opgenomeu.

Wat wijders het in de slotalinea van art. 353 van het OostSumatra Reglement voorkomende voorschrift betreft, dat, „indien er «tfe/dere beklaagden in dezelfde zaak betrokken zijn, tegen „elk hunner een afzonderlijk vonnis moet worden opgemaakt", hiertegen heb ik met het oog op den korteren termijn, welke in vergelijking van dien van het Inl. Reglement, aan den griffier tot het opzenden der stukken, bij art. 338 van het Oost-Sumatra Reglement is toegestaan, in verband met de beperktheid der werkkrachten, welke den Landraadgriffiers ten dienste staan, reeds boven mijne bezwaren aangevoerd.

Die bezwaren zijn van te meer gewicht, omdat ter Sumatra's Oostkust, overeenkomstig de bepaling van art. 303 van het