is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn betrokken, en diensvolgens gelijktijdig zijn terechtgesteld geworden, in één cn hetzelfde vonnis worden vervat (zie de slotalinea van art. 174 van liet Reglement op de Strafvordering voor Europeanen), zoo volgt hieruit dat laatstgenoemde bepaling ter Sumatra's Oostkust op het Residentiegerecht evenzeer van toepassing is, en hier alzoo niet, gelijk wij zagen, dat bij de Landraden (zie de slotalinea van art. 353 en 380 O. S. R.) het geval is, ten opzichte van elk der beklaagden afzonderlijk een vonnis behoeft te worden opgemaakt.

Omtrent het hooger beroep van de daarvoor vatbare overtredingzaken van liet Residentiegerecht is bij art. 414 van het Oost-Sumatra Reglement wel bepaald, waar en binnen welken termijn hetzelve moet worden ingesteld, en voorts bij ait. 415 eodem, dat de beklaagde zulks in persoon of bij eene, bij notariëele of door den Magistraat, binnen wiens ressort hij woont of verblijf houdt, gelegaliseerde onderhandsche akte gemachtigde kan doen, en eindelijk nog bij art. 416 eodem : dat op dit hooger leroep de voorschriften van de artt. 385, 386, 387, 388 en 389 van het OostSumatra Reglement (allen uitsluitend over het door den beklaagde ingestelde hooger beroep handelende) toepasselijk zijn, doch omtrent een door het O. Al. in te stellen of ingesteld hooger beroep wordt in dezen gelieelen vierden titel met geen enkel woord gerept, en evenmin naar eene daarover elders in het Oost-Sumatra Reglement handelende bepaling (zooals b. v. naar het over het hooger beroep bij de Landraden handelende art. 384 O. S. H-) verwezen.

Moet hieruit nu worden afgeleid dat zulk een hooger beroep van liet O. Al. 'door den wetgever niet is gewild?

Ik zoude deze conclusie niet durven maken, en zulks nog te minder, omdat, alhoewel de 1ste alinea van art. 416 van het Oost-Sumatra Reglement uitsluitend over het hooger beroep van den beklaagde handelt, niettemin onder de in de 2de alinea van datzelfde artikel aangehaalde bepalingen van het Reglement op de Straf'vordering, welke op het hooger beroep voor den Raad van Justitie zijn toepasselijk verklaard, ook art. 196 van dit laatste dleglement voorkomt, en dit artikel in de woorden: „ten ware