is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„het O. M. hetzij alleen, hetzij mefjden beklaagde mocht zijn in „hooger beroep gekomen" blijkbaar uitgaat van de veronderstelling, dat ook bet O. M. tot het instellen van dat hooger beroep gerechtigd is.

Doch wat hiervan ook zijn moge, in allen gevalle zal men moeten toestemmen, dat hieromtrent evenmin onzekerheid mag blijven bestaan als omtrent de reeds boven door mij besproken rechtsvraag, of van een in eersten aanleg door bet Residentiegerecht, en in hooger beroep door den Raad van Justitie gewezen vonnis in zake van overtreding, in cassatie kan worden gekomen bij het Iloog Gerechtshof.

De vijfde titel van het IVde hoofdstuk handelt over het bewijs in strafzaken.

Uit het feit, dat dez e. vijfde titel niet slechts achter die, welke over de rechtspleging, respectievelijk bij de Magistraatsgerechten en de Landraden, handelen maar tevens achter die, waarin over de rechtspleging bij het Residentiegerecht in overtredingzaken wordt gehandeld, geplaatst is, volgt reeds duidelijk genoeg, dat de daarin vervatte regelen omtrent het bewijs in slrafz aken aan de Magistraatsgerechten, Landraden en het Residentiegerecht ter Sumatra's Oostkust gemeen zijn. Maar juist daarom moest hier met betrekking tot het em^gemelde gerecht, (het Magistraatsgereclit), worden vastgesteld welke de taalkracht is, die aan de bij dat gerecht door dienaren der openbare macht op den bij de aanvaarding hunner bediening gedanen eed mondeling afgelegde verklaringen behoort te worden toegekend.

Dit nu is geschied bij de 3de alinea van art. 422 van ons Reglement, waar is bepaald dat die verklaringen met beëeedigde getuigenissen worden gelijkgesteld, terwijl voorts krachtens de 1 ste alinea van art. 428 eodera, daarmede ook kan worden volstaan bij schriftelijke verklaring, procesverbaal of relaas.

Laatstgemelde bepaling (alinea 1 van art. 428) luidt namelijk als volgt:

„Verklaringen, processen-verbaal en relazen van hen, die in „openbare posten, ambten of bedieningen gesteld zijn, moeten