is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erkende kinderen nalaten, zullen deze laatsten uit de uiterste wilsbeschikkingen hunner ouders niet meer mogen genieten dan hetgeen aan hen bij den tweeden titel van dit boek is toegekend (B. W. 862 v. 911, 916, 1681.)

915. In de opgaande linie bedraagt het wettelijk erfdeel altijd de helft van hetgeen, volgens de wet, aan eiken bloedverwant in die linie bij versterf toekomt.

916. Het wettelijk erfdeel van een natuurlijk, doch wettiglijk erkend kind, bestaat uit de helft van dat gedeelte, hetwelk de wet aan hetzelve in de nalatenschap bij versterf toekent (862 v. 908).

Uit de aangehaalde artikelen blijkt zonneklaar van welk een groot belang voor het natuurlijk kind de „erkenning" is door zijne moeder en hoe deze alleen bij „erkenning" als erfgename bij versterf of als legitimarisse kan optreden van haar, zonder nakomelingschap overleden, natuurlijk kind.

Drie gevallen zijn mij bekend, waarin het nalaten der erkenning door de moeder van haar natuurlijk kind zeer bedenkelijke gevolgen had:

Eerste geval.

De Europeanen A. en B» hadden verzuimd vóór of bij het aangaan des huwelijks hun, bij den Burgerlijken Stand behoorlijk aangegeven en ingeschreven, natuurlijk kind C. te erkennen. Na den dood zijner echtgenoote B. bij wie hij meerdere kinderen had verwekt, poogde A. het gepleegde verzuim te herstellen door alsnog zijn kind C. te erkennen én zich bij request te wenden tot den Gouverneur-Generaal om brieven van wettiging overeenkomstig bovenaangehaald art. 274 B. W. Hij ontving echter een afwijzende beschikking: omdat niet bleek van de erkenning door de moeder.

Hoe jammer, dat die erkenning niet bij testament of andere authentieke akte (art. 281 B. W.) was geschied !

Tweede geval.

D. een Europeaan deed, overeenkomstig art. 42 B. S., aangifte v an een natuurlijk kind E. waarvan de moeder E. behoorde

tot de Inlandsche of daarmede gelijkgestelde bevolking. Die

LXII. 5