is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht van den President om de bovenbedoelde gronden van wederspraak in beoordeeling te nemen volstrekt niet heeft betwist, maar wel diens bevoegdheid om omtrent de al of niet geldigheid van het beslag eene beslissing te nemen, en terecht: omdat die zaak reeds bij den raad van justitie aanhangig was en mitsdien door dezen en niet door 's raads President kon en moest worden beslist;

Juridisch: omdat, liadde de appellante in kort geding eene beslissing gevorderd omtrent de al of niet gegrondheid van haar wederspraak tegen de executie van het vonnis van 21 Juli 1893, de President zich onbevoegd zou hebben moeten verklaren daarvan kennis te nemen;

dat in casu 's raads President ten onrechte alleen het oog heeft gehad op art. 442 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering, terwijl hij dit artikel had moeten beschouwen in verband met art. 283 van hetzelfde Reglement;

dat de toewijsbaarheid der gevraagde schorsing slechts af hangt van de beide volgende vragen:

lo. of de executie, voortgezet wordende, inderdaad voorden appellant onherstelbaar nadeel kan veroorzaken; en

2o. of het tegen de executie ingesteld verzet bij eene oppervlakkige beschouwing en een summier onderzoek schijnbaar niet van allen grond ontbloot is;

dat nu bij verkoop der in beslag genomene goederen de appellante die goederen, waarvan velen sedert jaren haar eigendom zijn en waarop zij als vrouw van leeftijd gesteld is, voor goed kwijt is, terwijl buitendien, gelijk reeds in eersten aanleg is gesteld en thans in hooger beroep wordt herhaald, het van algemeene bekendheid is, dat de geintimeerde iemand is van geen of weinig vermogen, die eventueel niet in staat zal zijn om aan de appellante de haar door den verkoop harer goederen geledene schade te vergoeden ;

dat wijders eene oppervlakkige beschouwing en een summier onderzoek van den inhoud der namens de appellante tegen de geintimeerde uitgebrachte dagvaarding van 24 October 1893 aantoonen, dat der appellante verzet tegen de executie van het