is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat toch geopposeerde ontkent dat de opposant tijdens het uitbrengen der dagvaarding in appel, op 28 November 1891, aan de hoofden van het plaatselijk bestuur te Banda en te Ternate de verklaring had afgelegd bedoeld in art. 19 van het Burgerlijk Wetboek;

dat opposant dus bij het uitbrengen der dagvaarding in appel zijne woonplaats nog had in de afdeeling Banda, zoodat het exploit volkomen geldig is gedaan met inachtneming van art. 3 Rechtsvordering en noch de geopposeerde noch de deurwaarder wist dat de opposant zich van Banda had verwijderd;

en ten slotte, wat de hoofdzaak betreft, heeft aangevoerd: dat een tusschen partijen gewezen vonnis, ook al is het bij verstek gewezen, wel degelijk de kracht van res judicata heeft wanneer daartegen geen verzet wordt gedaan of de termijn van verzet verstreken is;

dat bij het vonnis van den raad van justitie te Makassar van 2 Juli 1890 door het verleenen van verstek is aangenomen dat de termijnen en formaliteiten wel zijn in acht genomen;

dat zoolang dit vonnis niet door middel van verzet vernietigd is, die uitspraak in elk ander geding, waarin de opposant tegen geopposeerde beroep mocht doen op beweerde nietigheid dier termijnen en formaliteiten, hem als gewijsde zaak kan worden tegengeworpen;

zoodat hij concludeert: dat het den Hove moge behagen den opposant met zijn verzet niet ontvankelijk te verklaren, hem zijn in verzet gedanen eisch en genomene conclusiën in elk geval te ontzeggen en hem te veroordeelen in de kosten daarop gevallen;

O. dat de opposant hiertegen bij conclusie van antwoord exceptioneel en van eisch incidenteel subsidiair in substantie heeft aangevoerd :

dat hier van tardief verzet geen sprake kan zijn nu de opposant reeds op den 30sten Augustus 1892, dat is dus zelfs nog voor de beteekening van 's Hofs arrest, om bepaling van termijn en rechtsdag heeft verzocht en nadat die bepaling bij 's Hofs beschikking van den 6den September 1892 had plaats