is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het rechtswezen in het Gouvernement Sumatra's Westkust (Staatsblad 1874 110. 945) gemachtigd, namens hem is onderteekend, doch slechts een onleesbare liandteekening voert, die volgens de daarboven gestelde woorden is die van den persoon, dien de requirant destijds ter terechtzitting mondeling machtigde om hem in eersten aanleg te vertegenwoordigen;

O. dat de requirant evenmin bij de aanteekening der cassatie de middelen, waarop hij zijn oeroep grondt en de wettelijke bepalingen, die zouden zijn geschonden of verkeerd toegepast, heeft opgegeven en dit beroep in cassatie derhalve niet ontvankelijk moet worden verklaard;

Gelet op de bovenaangehaalde wetsbepaling in haar verband met art. 184 van hetzelfde Reglement en op de artt. 58 en 432 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering.

Rechtdoende:

Verklaart den requirant niet ontvankelijk met het door hem ingesteld beroep in cassatie.

Veroordeelt hem in de kosten daarop gevallen.

Terechtzitting van 11 Januari 1894.

Voorzitter: als voren.

Artt. 166, 167, 175 en 176 Ine. Regl. — Kracht van

getuigen-verklaringen. redenen van wetenschap..—

Waarde te hechten aan getuigenissen.

Artt. 166 en 167 van het zoogenaamd Inl. liegt, handelen niet over de kracht welke aan getuig en-verklaringen moeten worden toegekend. De rechter is niet verplicht in zijn vonnis de redenen te vermelden, op grond waarvan hij aan de getuigenis van eenige getuigen meer waarde heeft gehecht dan aan die van andere. Waar niet bepaald van het tegendeel blijkt, moet worden aangenomen dat de rechter rekening heeft gehouden met hetgeen dienaangaande bij art. 176 van het Inl. Regl. is voorgeschreven,