is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

138 Inl. Regl. Grief niet voor den eersten rechter

te berde gebracht. incidenteele beschikking.

Beroep in cassatie daarvan. — Art. 132 Inl. Regl. Verstek. — Art. 167 Inl.

Regl. Vermoeden.

Door een abuis door den deurwaarder in liet afschrift exploit van beteelcening der aangeteekende cassatie gepleegd, is gerequireerde niet gelaedeerd, als hij later in afschrift de door de requiranten gediende memorie van cassatie ontvangende, wel moet hebben begrepen dat cassatie was aangeteekend, en hij daartegen ook een contra memorie heeft ingediend, waarin hij niet alleen tot niet ontvankelijkheid, doch ook tot verwerping van het beroep van cassatie concludeert. Daardoor heeft hij een beroep op het gepleegde verzuim verwerkt. Hoewel volgens de bewoordingen van art. 2 der lijst van vrijstellingen van het zegelrecht in Ned-lndiè, behoorende bij art. 13 der Ordonnantie in Staatsblad 1885 no. 131, onder anderen van zegelrecht zijn vrijgesteld de akten van beteekening gesteld op de geschriften, welke beteekend worden, is dit ook het geval met het relaas van beteekening behoorende bij de behoorlijk gezegelde memorie van cassatie. Een grief welke men voor den eersten rechter had kunnen te berde brengen, doch dat heeft nagelaten, kan men in cassatie niet meer opperen. Een middel van cassatie, gericht tegen eene incidenteele beschikking ter terechtzitting van den landraad genomen, is niet ontvankelijk, indien alleen van het eindvonnis, niet mede van alle overige door dat rechtscollege genomene beschikkingen, beroep in cassatie ts aangeteekend. Het verleenen van verstek is een vorm van procedure die bij het zoogenaamd Inl. Regl. niet bekend is. Wanneer de gedaagde in antwoord op eene vordering slechts heeft beweerd de handteekening onder een orderbillet niet te durven erkennen of ontkennen, en de landraad daarin een gegrond vermoeden voor de rechtmatigheid der vordering heeft gezien, dan vormt dat vermoeden volgens art. 167 Inl. Regl. een wettig middel tot het bewijs van een recht of feit, welks kracht ter beoordeeling van den judex facti behoort.