is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewezen vonnis waarbij, na verwerping van de voorgestelde exceptie van niet ontvankelijkheid van het principaal appel, dat appel ontvankelijk is verklaard, edoch is te niet gedaan voor zoover het is gericht tegen de beslissing van het vonnis a quo, waarbij eischer, later principaal appellant, niet meer ontvankelijk is verklaard met dat deel zijner vordering, dat strekt tot betaling van het overschrijvingsrecht ten bedrage van f 5500, en de verhooging ten bedrage van f 550; verder het incidenteel appel is te niet gedaan voor zoover het is gericht tegen eene andere beslissing van het vonnis a quo dan die omtrent de kosten; het vonnis a quo is bekrachtigd, voor zoover daarbij is geadmitteerd de door gedaagde opgeworpen exceptie van verjaring voor zooveel betreft dat deel der vordering, dat strekt tot betaling van het overschrijvingsrecht ten bedrage van f 5500, en de verhooging ten bedrage van f 550; de eischer met dat deel zijner vordering niet meer ontvankelijk is verklaard; de door gedaagde opgeworpen exceptie van verjaring voor zooveel betreft de vordering van boeten van 23 September 1891 tot 24 Augustus 1892 is verworpen; dat gedeelte der vordering is toegewezen en mitsdien gedaagde is veroordeeld om wegens elf boeten, elk ten bedrage van ƒ 550, beloopen door het niet te zijnen name doen overschrijven van het in den eisch bedoeld perceel in elk der maanden verloopen tusschen 23 September 1891 en 24 Augustus 1892, aan den Lande tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de som van f 6050;

hebbende de raad van justitie vervolgens dat vonnis vernietigd voor zoover het eene andere strekking heeft en — doende wat de landraad had behooren te doen — de door gedaagde, later principaal geintimeerde, tevens incidenteel appellant, opgeworpen exceptie van verjaring verworpen voor zooveel betreft dat deel der vordering, dat strekt tot betaling van boeten van 23 Januari 1890 tot 23 September 1891 tot een gezamenlijk bedrag van ƒ 11000; eischer, later principaal appellant, terens incidenteel geintimeerde, met dat deel zijner vordering ontvankelijk verklaard, hem dat toegewezen ; mitsdien gedaagde, later principaal geintimeerde, tevens incidenteel appellant, veroordeeld