is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat inderdaad de woonplaats van het ineerendeel der in zake Malla te hooren getuigen nader bij den zetel van den landraad te Makassar dan bij dien van den landraad te Takalar gelegen is, terwijl ten aanzien van bet aan Malla ten laste gelegde feit uit diezelfde stukken volgt, dat beklaagde, die geen vaste woonof verblijfplaats heeft, zich door aanwending van bedriegelijke middelen te Makassar een geldsom van ƒ 100.— heeft doen ter hand stellen door den inlander Liga en wel met de bedoeling om dien persoon voor een gedeelte dier geldsom tot een bedrag van ƒ 17,50 op te lichten;

O. dat wel is waar met het bezigen van bedriegelijke middelen tot het voorschreven doel door beklaagde reeds een aanvang is gemaakt in de kampong Soreang, gelegen in de onderafdeeling Takalar, en wel ten huize van voornoemden Liga, doch dat deze handeling van den beklaagde is voortgezet op reis naar en te Makassar, in elk geval onderweg niets van zijne actualiteit heeft verloren, en daardoor de afgifte van Liga's geld is tot stand gekomen te Makassar, zoodat het misdrijf re vera aldaar is gepleegd ;

O. dat immers art. 328 van het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders voor het misdrijf van oplichting vordert, dat de materieële daad van het zich doen afgeven van eens anders goed geworteld is in het bezigen van bedriegelijke middelen, welke laatste handeling evenzeer een essentieel bestanddeel van dat misdrijf uitmaakt als het zich doen afgeven van een andermans goed, zoodat het van geen belang is uit te maken of de bedriegelijke middelen, die te Soreang zijn gebezigd, op zich zelf dan wel vereenigd met andere, die onderweg of te Makassar zijn gebezigd, tot de beoogde uitkomst hebben geleid, omdat het misdrijf pas tot staud komt op hetzelfde oogenblik, dat de afgifte onder die omstandigheden plaats grijpt en deze handeling dus niet te scheiden is van de aanwending dier bedriegelijke middelen ;

O. verder dat, vermits art. 319 alinea 1 van het zoorgenaad Celebes-Reglement (Staatsblad 1882 no. 22) voorschrijft, dat elke landraad bij voorkeur bevoegd is om kennis te nemen van misdrijven binnen den omvang van zijn rechtsgebied gepleegd, — in Malia's geval dus de landraad te Makassar — thans behoort