is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtbanken wordt berecht (zie T. v. h. R. XLVII pag, 410 sqq. en LVI pag. 120).

Aangezien nu de landraden zijn mindere rechterlijke autoriteiten binnen het rechtsgebied van dezen raad gevestigd (art. 127 R. O jo. art 1 Celebes Reglement) en het geen betoog behoeft dat waar het een geval van oplichting betreft gepleegd door een inlander, die zich daartoe alleen in de afdeeling Makassar en de onderafdee ling Takalar heeft opgehouden, mitsdien de noodwendigheid van aanvang met de berechting dezer strafzaak door een van beide voorzitters als een paal boven water staat, zoo bestaat er een negatief jurisdictie-geschil, hetwelk ter beslissing staat van den rechter, die thans door den Djaksa van Takalar is geadieerd.

Hetgeen feitelijk als vaststaande beschouwd dient te worden om de competentie te beoordeelen, behooren wij op te maken uit de stukken van het voorloopig onderzoek gehouden door den hoofddjaksa te Makassar. Daaruit resulteert: dat de verdachte Malla zich, na opvatting van het oogmerk om den persoon van Liga, woonachtig in de kampong Sortang (onder Takalar), voor een gedeelte van zijne bezittingen op te lichten, op Woensdag 26 Juli j. 1. naar diens woning heeft begeven, aldaar een reeks verzinsels ten beste heeft gegeven, hierin bestaande dat diens (Liga's) bloedverwant, de inlander Loeloeang, in het hospitaal te Makassar was komen te overlijden;

dat deze, dien verdachte voor zijn vader uitgaf, tijdens zijn leven voor eene waarde van ƒ 500.— aan goederen en bankbiljetten bij de Javasche bank had verpand; dat dit alles bij verzium van inlossing vóór 8 uur van den volgenden dag aan die bank zoude komen te vervallen ;

dat Liga toen de daartoe bestemde f 100.— bij zich heeft gestoken en met Malla de onderafdeeling Takalar verlatende per prauw op reis is getogen naar Makassar, alwaar de verdachte hem gevraagd heeft voorloopig f 27 50 (in de beschikkingen is ook sprake van een bedrag van ƒ 17.— maar daar de beklaagde reeds vroeger veroordeeld blijkt ter zake van een der feiten, opgenoemd in art. 328 ten 2o. Strafwetboek voor