is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. toch dat het toebrengen van slagen op de deur waar vóór genoemde superieur stond, zóó dicht bij diens hoofd dat hij, om niet geraakt te worden, zich heeft moeten verplaatsen, daarstelt eene, niet alleen oneerbiedige, maar ook dreigende handeling tegen dien superieur, tegen welke handeling straf is bedreigd bij art. 99 van het Crimineel Wetboek;

O. dat 's krijgsraads vonnis derhalve in zoover behoort te worden vernietigd en de thans geappelleerde alsnog aan gemeld misdrijf behoort te worden schuldig verklaard en tot straf veroordeeld ;

O. dat aangaat het sub 2o. te laste gelegde:

Enz.;

Gelet op de, in het vonnis aangehaalde wetsbepalingen, op art. 99 van het Crimineel Wetboek, zoomede op de artt. 50 en 58 van 's Hofs Provisioneele Instructie;

Rechtdoende :

In naam en van wege de Koningin!

Ontvangt het appel.

Vernietigt het vonnis van den krijgsraad voor zoover de beklaagde, thans geappelleerde, ter zake van het hem bij introductieve klacht sub lo. te laste gelegde, is verwezen naar de disciplinaire autoriteit.

Verklaart hem te dier zake schuldig aan: „insubordinatie door gebaren".

Veroordeelt hem deswege tot de straf van militaire detentie voor den tijd van zes maanden.

Bekrachtigt overigens het vonnis.

Verwijst den thans geappelleerde nog in de kosten en ruisen der justitie, mitsgaders in die van den processe, in beide instantiën gevallen, met uitzondering van die veroorzaakt door de strafvervolging ten aanzien van de feiten in de klacht sub 2o. en 3o. vermeld, welke behooren te komen te laste van den Lande.