is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het eerste middel komt mij alzoo ongegrond voor.

II. Het tweede luidt: Schending van art. 398 Strafvord. daar vonnis is gewezen op grond van eene bijzondere meening van een getuige, nl. dat het geheel het voorkomen had van eene „openbare kermis".

Hiermede wordt bedoeld, dat recht zou zijn gedaan op onwettig bewijs, t. w. de meening van een der verbalisanten, en dat wel omdat in het procesverbaal, dat mede als bewijs gediend heeft, door een hunner wordt verklaard, „dat het geheel het voorkomen had van eene openbare kermis".

Ik kan inderdaad niet inzien, waarom een getuige of verbalisant zulks niet op grond van eigen waarneming zou kunnen getuigen. Speciale kennis om te kunnen zien dat een veld, waarop zich — zooals in casu — allerlei voorwerpen bevonden, die gewoonlijk op eene openbare kermis worden aangetroffen, het voorkomen heeft van eene openbare kermis, is zeer zeker niet noodig. Het verbaal vermeldt dus niet anders dan de mededeeling van een feit, dat de verbalisant zelf heeft gezien, en derhalve kan art. 398 Strafvord. niet zijn geschonden.

De twee door den pleiter voor den 2en req. voorgedragen cassatiemiddelen luiden:

Enz.

Ik heb mitsdien de eer te concludeeren tot verwerping van het ingesteld beroep met veroordeeling van de requitanten iu de kosten.

De flooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, namens de requiranten voorgesteld bij pleidooi:

I. Schending van art. 221 in verband met ait. 404 Strafv,, wegens gebrekkige motiveering, daar in de in het vonnis opgenomen procesverbalen niet gesproken wordt van eenige schuld van L. en v. L. en evenmin aangeduid wordt, dat op diens terrein openbare vermakelijkheden hebben plaats gehad, zoodat recht is gedaan op eene bloote bekentenis;

II. Schending van art. 398 Strafvord., daar het vonnis is gewezen op grond van eene bijzondere meeniug van een getuige,