is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6o. „medeplichtigheid aan poging tot moord door, misbruik „makend van zijn gezag over den dader, dezen daartoe aan „te sporen, onder verzachtende omstandigheden" ; 7o. „poging tot moord tegen twee porsonen gepleegd, onder „verzachtende omstandigheden" ;

en overzulks veroordeeld tot de straf van tuchthuis voor den tijd van tien jaren en tien geldboeten, waarvan vier van acht gulden en zes van vijf-en-twintig gulden, met bepaling dat, bij wanbetaling van het gezamenlijk bedrag dier boeten, beklaagde in gijzeling zal worden gesteld voor den tijd van vijf-entwintig dagen, met last tot teruggave der na te noemen als stukken van overtuiging gediend hebbende voorwerpen, na verloop van één maand nadat het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, aan de hieronder te vermelden personen, tenzij binnen dien termijn door den eigenaar of rechthebbende daarop onder den griffier beslag zij gelegd, overeenkomstig de voorschriften van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering voor de raden van justitie op Java en het IIoog-Gerechtshof van Nederlandsch-Indië, en wel :

aan beklaagde v.d. de stukken onder Nos. 3, 4, 7,8,9, 15, 19, 20, 33, 42, 44, 48, 49, 51 en 53 bij de stukken gevoegd, die ter overtuiging in dit geding hebben gediend ; aan getuige IYhr de desbetreffende stukken onder Nos. 4 en 6 ; aan geluige van Velthoven de desbetreffende stukken onder Nos. 16 en 17; aan getuige J. Laurens het desbetreffende stuk onder No. 43, aan getuige Mevrouw Abbema de desbetreffende stukken onder Nos. 45, 46 en 50 ;

met veroordeeling van hem wijders in de kosten van het geding, met uitzondering van die, welke op grond zijner gedeeltelijke vrijspraak ten laste van den Lande komen;

Gezien de schriftelijke conclusie namens den Procureur-Generaal, door den Advocaat-Generaal Mr. W. C. van Benthem Jutting genomen, en gedagteekend den 26en Pebruari 1894 No. 117, daartoe strekkende: dat het Hoog Gerechtshof, met vernietiging van het vonnis, voor zoover het eene schuldigverklaring inhoudt aan het toebrengen van slagen aan den