is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. te dien aanzien :

dat de eerste en derde alinea van art. 62 van liet Reglement op de Rechterlijke Organisatie bepalen dat liet Openbaar Ministerie bij de Inlandsche rechtbanken en gerechten wordt uitgeoefend door de djaksa's en dat bij afwezigheid, belet of ontstentenis van dezen, hunne functien worden waargenomen door den onmiddellijk in rang volgenden Inlandschen officier;

dat voorts de 4e alinea van dit artikel voorschrijft, dat bij afwezigheid, belet of ontstentenis van laatstbedoelden de functien van het Openbaar Ministerie tijdelijk door den president aan een lid van het college worden opgedragen;

dat nu het Openbaar-Ministerie bij dit Hof in de motieven van het in Bijblad No 750 opgenomen Gouvernements-besluit van 17 Mei 1859 No. 13 eene toelichting aanwezig acht van het bepaalde bij deze vierde alinea en op dien grond de opdracht van de functien van het Openbaar Ministerie door den voorzitter van een Inlandsche rechtbank beperkt acht tot de waarneming van den dienst ter terechtzitting;

dat deze meening evenwel onjuist voorkomt, vermits uit dat besluit duidelijk blijkt, dat daa-rbij op grond van evenbedoelde motieven door de Regeering alleen eene beslissing is genomen in een tusschen den Resident van Rembang en den destijds omgaanden rechter in de 3e afdeeling gerezen geschil omtrent de uitlegging en toepassing van de hierbedoelde vierde alinea van art. 62 van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie, welk verschil werd beschouwd te zijn een negatief conflict van attributie;

dat dus, daargelaten de vraag of zelfs in het daarbij bedoeld geval de rechter aan zoodanige oplossing door de Regeering van een geschil omtrent de uitlegging en toepassing eener wettelijke bepaling gebonden zou zijn, zeer zeker dit vaststaat, dat evenbedoeld besluit daarbuiten niet de minste bindende kracht heeft;

dat daarvan alleen sprake zoude kunnen zijn, zoo dat besluit eene authentieke interpretatie van de hierbedoelde wetsbepaling inhield, hetgeen niet het geval is, vermits eene uitlegging der wet alleen kan uitgaan van die macht, welke haar in het leven