is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zitting van 25 Mei 1894.

Voorzitter: als voren.

Art. 143 Rechtspl. v. d. landmacht. — Desertie in tijd

van vrede. bevoegdheid.

Wanneer een militair, in garnizoen te Semarang, heimelijk die garnizoeneplaats verlaat, daarop als deserteur is afgevoerd geworden en een paar jaar daarna te Deli als deserteur herkend en gearresteerd is, dan behoort hij te dier zake, ingevolge de bepaling van art. 143 der Rechtspleging voor de Landmacht, terecht te staan voor den krijgsraad te Magelang en is de krijgsraad te Weltevreden onbevoegd zijne zaak aan zich te trekken.

HET HOOG-MILITAIR-GERECHTSHOF,

Gezien het vonnis van eenen daaitoe benoemden krijgsraad te Weltevreden tegen den in hoofde dezer genoemden beklaagde, gewezen op 16 Februari en uitgesproken op 16 April 1894, waarbij hij is schuldig verklaard aan : „destrtie in tijd van vrede, voor de eerste maal", en deswege veroordeeld tot de straf van militaire detentie voor den tijd van zes maanden, met veiwijzing voorts in de kosten en misen der justitie en in die van den processe;

Gelezen den namens den appellant R. O. op 2 Mei 1894 gedienden eisch in appèl, waarbij wordt geconcludeerd dat het Hof, met vernietiging van het vonnis van den krijgsraad te Weltevreden, dezen onbevoegd zal verklaren van deze zaak kennis te nemen, met verwijzing derzelve naar den bevoegden rechter, zijnde de krijgsraad te Magelang, met veroordeeling van den Lande in de kosten ;

Nog gelezen de namens den geappelleerde op 12 Mei 1894 gediende schriftuur van antwoord in appèl, waarbij wordt gerefereerd aan 's Hofs oordeel ;

Gezien de verdere stukken van den processe, zoo ter eerste instantie als in appèl gediend;