is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de appellant R. O. naar aanleiding van 's Hofs resolutie van 30 Maart 1894 No. 8, waarbij de Advocaat-Fiskaal voor de Land- en Zeemacht in Nederlandsche Indië gemachtigd werd van het tegen den beklaagde gewezen vonnis in het belang van de Hooge Overheid te provoceeren aan den Hove, te bekwamer tijd heeft gediend van eisch in appèl;

O. dat den beklaagde, thans geappelleerde, bij introductieve klacht van 2 Januari 1894, opgemaakt door den sergeant-majoor der subsistenten-eoinpagnie te Medan A. J. v. L, is ten laste gelegd dat hij, na zich den 2den Januari 1887 te Palimanan vrijwillig voor den tijd van zes jaren aan het NederlandschItidische leger verbonden te hebben tegen ontvangst eener premie groot f 50.— en van daar achtereenvolgens te zijn overgegaan naar Magelang, Ambarawa en Setnarang, in de maand October 1888 zich heimelijk van laatsgenoemde garnizoensplaats heeft verwijderd, zoodat hij den 13den November 1888 als deserteur is afgevoerd geworden en zich naar Deli (eiland Sumatra) heeft begeven, waar hij, in het begin der maand December 1893, als deserteur is herkend en gearresteerd geworden ;

O. dat uit het naar aanleiding dezer klacht gehouden gerechtelijk onderzoek is gebleken dat de thans geappelleerde in de maand October 1888 uit zijn garnizoen, zijnde Semarang, is gedeserteerd ;

dat hij derhalve, ingevolge de bepaling van art. 143 der Rechtspleging bij de Landmacht, te dier zake had behooren terecht te staan voor den krijgsraad te Magelang, en de krijgsraad te Weltevreden onbevoegd was zijne zaak aan zich te trekken;

dat derhalve met vernietiging van het vonnis van den krijgsraad te Weltevreden ddo. 16 Februari 1894, in zake den thans geappelleerde gewezen, genoemde krijgsraad alsnog onbevoegd behoort te worden verklaard van de onderwerpelijke zaak kennis te nemen en deze behoort te worden verwezen naar den bevoegden rechter, zijnde de krijgsraad te Magelang;

Gelet op bovenaangehaalde wetsbepaling, zoomede op de artikelen 50 en 58 van straf Provisioneele Instructie;