is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artt. 153 en 154 Critn. Wetb.

Een militair, die den 30on Sept. 1893, derhalve in vredestijd, zijn garnizoen te Willem I heeft verlaten zonder behoorlijk paspoort of ontslag bekomen te hebben en den 6en October daaraanvolgende zich onder een valsc.hen naam en onder stamboeknummer 12107 te Semarang als lichtmatroos bij's lands zeedienst heeft geëngageerd voor den tijd van zes jaren, onder genot van premie of handgeld van 120 gulden, waarna hij zich den 9en December daaraanvolgende te Dnitenzorg gemeld heelt als behoorcnde tot de 15e compagnie artillerie te Willem I, valt onder het bereik van art. 153 en niet van art. 154 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande 554

Vaischheid in geschriften. — Voorgezet misdrijf. — Ontrouw en falsiteit door een militair geplaatst in eene militaire administratie.

Een Adjudant-Onderofficier-Kwartiermeester en als zoodanig administrateur van een hospitaal, die bij het opmaken van het tot zijne bediening behoorend kasboek opzettelijk en valschelijk daarin verscheidene, van verschillende dagteekeningen voorziene, mandaten voor een minder dan het werkelijk bedrag heeft geboekt, en die valschheden heeft gepleegd om de tekorten in de kas te verbloemen, ontstaan doordien hij, tot vereffening van eigen schulden, zich aan zijne kas heeft vergrepen, pleegt een voortgezet misdrijf, nam: „ontrouw en falsiteit door een militair geplaatst in eene militaire administratie".

Het in het geheel niet boeken van een mandaat is bij geene wetsbepaling strafbaar gesteld. Beklaagde zou derhalve ter zake van rechtsvervolging behooren te worden ontslagen, ware die beslissing in het militair recht onder eene andere benaming dan die van vrijspraak bekend.

Het indienen aan den Hoofd-Intendant der militaire administratie van afschriften kasboek en kasvergelijk opgemaakt volgens de werkelijke waarde der mandaten, ten einde de boven bedoelde handelingen verborgen te houden, stelt niet daar verkorting der waarheid en is derhalve ook geen strafbare vaischheid, doch valt als misleiding zijner superieuren onder het bereik van art. 27 Heglement op de krijgstucht. Deze overtreding lost zich echter op in de overige, zooveel zwaardere, feiten, omdat zij daarmede kennelijk één geheel uitmaakt. 557

Cliambiée. — Diefstal.

Een diefstal door den militair in een niet voor een ieder toegankelijke zaal in een hospitaal is geen „diefstal in de chambrée",