is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten, over schuldvorderingen of andere burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de kennis van de rechterlijke macht behooren, doch in de 2e alinea van dat artikel eene uitzondering op den regel voorkomt, krachtens welke de tusschen Inlanders of tusschen met deze gelijkgestelde personen van gelijken landaard gerezen burgerlijke geschillen, welke volgens hunne godsdienstige wetten of oude herkomsten ter beslissing staan van hunne priesters of hoofden, daaraan onderworpen blijven;

dat deze laatste bepaling als uitzondering op den algemeenen regel strikt moet worden uitgelegd en de Priesterraad dus dan alleen bevoegd is om over burgerlijke geschillen tusschen Inlanders uitspraak te doen, wanneer vaststaat, dat zij volgens hunne godsdienstige wetten of oude herkomsten ter beslissing staan van hunne priesters of hoofden;

dat die geschillen ingevolge Staatsblad 1820 No. 22 juncto Staatsblad 1835 No. 58 zich bepalen tot die, ontstaan omtrent huwelijkszaken, boedelscheidingen en dergelijken, welke volgens de Mohamedaansche wetten moeten worden beslist;

dat, daargelaten de vraag of de Priesterraad bevoegd was uitspraak te doen omtrent de verplichting tot onderhoud, dit college in ieder geval echter geen uitspraak had mogen doen omtrent de hoegrootheid van dit onderhoud, zijnde dit een onderwerp, waarvan krachtens boven vermelden algemeenen regel de kennisname aan de rechterlijke macht is opgedragen, vermits het twistgeding daaromtrent, moet worden getoetst aan de bepalingen van het zoogenaamd Inlandsch Reglement en niet aan de Mohamedaansche wetten;

dat de Priesterraad niet behoort tot de rechterlijke macht, bedoeld in het aangehaald artikel 78 van het Reglement op het beleid der Regeering van Nederlandsch Indië, en de Landraad de dagelijksche rechter van den Inlander is;

dat mitsdien het twistgeding omtrent de hoegrootheid van het onderhoud behoort tot de competentie van den Landraad en niet tot die van den Priesterraad ;

dat dus de Priesterraad, recht hebbtnde gesproken over dat onderwerp, zijne bevoegdheid heeft overschreden;

LXII. 29