is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de bepaling van de eerste alinea van art. 78 Regeerings-Reglement reeds voorkwam, in eenigszins andere bewoording, in de grondwet van 1815 (vide art. 165) en later belangrijk gewijzigd in die van 1848 (vide art. 148) en, thans andermaal gewijzigd, ook weer voorkomt in de grondwet van 1887 (vide art. 153);

O. dat er veel is getwist over de uitgebreidheid van strekking van het in die artikels neergelegd beginsel, welke strijd hier niet behoeft te worden nagegaan, zijnde het hier voldoende voor oogen te houden, dat de wetgever steeds heeft gemeend op de meest uitdrukkelijke wijze te moeten doen uitkomen, dat het is de rechterlijke macht, aan wie de rechtspraak in hoofdzaak is opgedragen, dat n.1. ook wel aan het administratief gezag eenige rechtspraak is voorbehouden, maar dat de rechterlijke macht bij uitsluiting van het administratief gezag moet kennis nemen van burgerlijke geschillen over eigendom of andere burgerlijke rechten, hebbende de administratieve macht slechts te berechten geschillen van publiekrechterlijken aard ;

O. dat ook in Nederlandsch-Indië de administratie-zaken van publiekrechterlijken aard heeft te berechten, waarop uitdrukkelijk gedoeld wordt in de tweede en derde alinea van art, 2 Rechterlijke Organisatie en in art. 82 en 132 Regeerings Reglement;

O. dat bij nauwkeurige beschouwing en onderlinge vergelijking der uit de grondwet, de Rechterlijke Organisatie en het RegeeringsReglement aangehaalde artikelen het duidelijk is, dat de eerste alinea van art. 78 Regeerings-Reglement den hoofdregel stelt, dat de eigenlijk gezegde rechterlijke macht belast is met de rechtspraak en dat daarom in het bijzonder aan haar is opgedragen de kennisneming van geschillen over eigendom of andere burgerlijke rechten, in tegenstelling met de administratieve macht, aan wie een beperkte rechtspraak over quaestien van publiekrechterlijken aard is voorbehouden ;

O. dat de wetgever van Nederlandsch-Indië bij de invoering van de nieuwe wetgeving, welke zooveel mogelijk met de Nederlandsche wetten zou overeenkomen, op het eigenaardig verschijnsel in Indië stuitte, dat in de maatschappij der Inlanders en in