is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehandhaafd blijft, in welk geval er een geschil over bevoegdheid Iusschen de rechtbank en de Inlandsche priesters zal bestaan, hetwelk ingevolge art. 83 Regeerings-Regleinent door den Gouverneur-Generaal zal moeten beslist worden, daar appellante, indien ii.l. ook de Gouverneur-Generaal den Priesterraad onbevoegd acht, dan zich zal hebben te wenden tot haar gewonen dagelijkschen rechter, den Landraad van Tegal, ter bepaling van de hoegrootheid van het onderhoudsgeld, doch die Landraad de vordering ech'er zou niet ontvankelijk verklaren, aangezien uit geen Priesterraadsvonnis bleek de grond der vorderingsrecht op onderhoudsgeld, een quaestie van Mohammedaansch huwelijksrecht ter beslissing van de priesterschap staande, waaromtrent de Landraad geen uitspraak mag doen en waaromtrent de Gouverneur Generaal alzoo den Landraad niet bevoegd zou kunnen verklaren, zoodat appellante na eerst wederom eene nadere uitspraak, waarbij haar het recht op levensonderhoud, zonder meer, werd toegekend, van de Priesterraad te hebben erlangd, zich andermaal tot den Landraad zou moeten wenden ter bepaling van de hoegrootheid er van en executoir-verklaring van die nadere prieste'ruitspraak, een omslag, welke voor Inlanders, lieden van weinig ontwikkeling en weinig vermogen, haast gelijk zou staan met versteking van rechtspraak, een omslag bovendien in lijnrechten strijd met de restrictie, vervat in het tweede gedeelte van Staatsblad 1835 No. 58 („doch dat alle civiele actiën" enz.), waarbij immers de bevoegdheid van den Priesterraad tot bepaling van de hoegrootheid van een uit te keeren of te betalen som wordt erkend, doch tevens wordt gezegd, dat men di e, toegekende som niet zoo maar rechtsstreeks krachtens het Priesterraadsvonnis alleen kan uitbetaald krijgen, maar bij weigering van den veroordeelde de uitbetaling zal moeten vorderen bij den gewonen rechter, die dan „met in achtneming van" het Priesterraadsvonnis „en om derzelver uitvoering te verzekeren" recht zal doen, met welken eenigszit.s duisteren stijl van het jaar 1835 blijkbaar bedoeld wordt, niet dat de justiciabele nog eens een afzonderlijke vordering tot uitbetaling van het toegekend bedrag voor den Landraad moest instellen, doch, om de uitvoering van het b^j het