is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hunne nalatigheid en inderdaad die nalatigheid niet ter kennis brengende van hem aan wien hij ondergeschikt was, welke feiten de Landraad terecht bewezen heeft geacht, niet bet bovenbedoeld misdrijf pleegde, terwijl bij zich daardoor evenmin aan eenig ander strafbaar feit schuldig maakte;

O. dat hij mitsdien, met vernietiging van 's Landraads vonnis, alsnog van alle rechtsvervolging behoort te worden ontslagen;

Gelet op de artt. 292, 298, 301 en 411 van het Reglement op de Strafvordering voor de Raden van Justitie op Java enz.;

Rechtdoende:

Doet te niet het tegen beklaagde gewezen vonnis, hierboven omschreven.

\ erklaart dat de den beklaagde ten laste gelegde wel bewezen feiten misdrijf noch overtreding opleveren.

Ontslaat hem te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verstaat dat de kosten in beide instantien gevallen zullen komen ten laste van den lande.

Raadkamer van 25 Juni 1894. Voorzitter: als voren.

Djaksa.— Acte van beschuldiging.

De verwijzing naar den Landraad eenmaal plaals gehad hebbende, is de Djaksa ingevolge de wet verplicht eene acte van beschuldiging tegen den beklaagde op te maken en die op den voor de behandeling van de zaak bepaalden rechtdag voor te dragen. Aan die wettelijke verplichting voldoende kan hij bezwaarlijk met die beschuldiging niet ontvankelijk verklaard worden.

HET HOOG GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH INDIE,

Gezien de stukken van het gerechtelijk onderzoek in de zaak van den beklaagde Soerarana en het in die zaak op den zevenden