is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de Krijgsraad liet hier door misdrevene ook naar behooren omschreven en den thans appellant, blijkens de notulen van de vergadering van den Krijgsraad, te dier zake eene straf opgelegd heeft, welke in eene juiste verhouding staat tot de zwaarte der door hem gepleegde strafbare handelingen;

O. dat echter het getal der maanden, gedurende welke de thans appellant bij een strafdetachement zal worden geplaatst, niet in het dictum van 's Krijgsraads vonnis voorkomt, blijkbaar in de pen is gebleven, weshalve het vonnis in zoover in appèl nog behoort te worden aangevuld;

Gelet op de in het vonnis aangehaalde wetsbepalingen, zoomede op de artikelen 50 en 58 van 's Hofs Provisioneele Instructie ;

Rechtdoende :

In naam en van wege de Koningin !

Verwerpt eerst en vooraf de door den geappelleerde 11. O. voorgestelde exceptie.

En in de hoofdzaak:

Doet te niet het appèl.

Vult voorzooveel noodig aan het vonnis, waarvan appèl.

Veroordeelt den beklaagde, thans appellant, ter zake in het vonnis vermeld, tot de straf van militaire detentie voor den tijd van zes maanden.

Bepaalt dat hij, na zijn ontslag uit de detentie, zal worden geplaatst bij een strafdetachement voor den tijd van zes maanden.

Bekrachtigt overigens het vonnis.

Verwijst den thans appellant nog in de kosten en misen der Justitie, mitsgaders in die van den processe, in appèl gevallen.

Zitting van 8 Juni 1894. Voorzitter: als voren.

Omstandigheden niet ten laste gelegd noch voorgehouden.

Indien de omstandigheid, dat de door den beklaagde toegebrachte verwonding eene ziekte van meer dan 20 dagen heeft tengevolge