is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is erkend en aanleiding heeft gegeven tot niet ontvankelijk verklaring der vorderingen;

dat het Hof zich met deze beslissing niet kan vereenigen; dat toch onderwerpelijk de rede is van nalatigheden, welke door Ong Kim San zouden zijn gepleegd, niet in privé, doch in zijne hoedanigheid van President van het fonds, terwijl de vorderingen niet strekken tot eenige geldelijke praestatie, doch tot het verrichten van handelingen, welke de thans appellanten meenen te kunnen eischen op grond van de statuten van het mede gedaagde fonds, volgens welke sommige dier handelingen, namelijk het uitschrijven en houden eener algemeene vergadering, behooren uit te gaan van den voorzitter van liet fonds;

dat Ong Kim San in de oorspronkelijke tegen hem uitgebrachte dagvaarding is aangeduid als President van htt Bestuur van het te Batavia gevestigde Begrafenisfonds Tjoe Hoe Tee Beng, terwijl in het slot daarvan diens veroordeeling „zelfs in privé" is verzocht, welke laatste woorden er op wijzen, dat in de eerste plaats veroordeeling qualitate qua werd beoogd;

dat ook uit den geheelen verderen inhoud der dagvaarding blijkt, dat Ong Kim San niet in privé, doch in zijne hoedanigheid van voorzitter van het fonds is gedagvaard, en alleen quoad de kosten bovendien eene veroordeeling in privé werd geeischt, welke voldering sedert is vervallen, doordien daarvan hij conclusie van eisch in eersten aanleg geen melding is gemaakt, dat nu wel is aangevoerd, dat door het weglaten in de conclusie van eisch der woorden „zelfs in privé," voorkomende in de dagvaarding, eene ongeoorloofde verandering van den eisch zoude zijn geschied, doch hierbij uit het oog wordt verloren, dat, zooals uit de aangehaalde woorden zeiven reeds blijkt, in verband tot den verderen inhoud van voormelde schrifturen, aanvankelijk is gevorderd veroordeeling in hoedanigheid en tevens in privé, later alleen in hoedanigheid, zoodat slechts sprake zoude kunnen zijn van eene vermindering van het sequeel van de vordering, welke alleszins veroorloofd is ;

dat ten overvloede wordt opgemerkt, dat de aan de dagvaarding voorafgegane sommatie ddo. 8 November 1892, naar welke