is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

termen opleveren lot verdere vervolging van dien beklaagde ter zake van misdrijf;

O. dat echter verder bij het voorloopig onderzoek is gebleken dat beklaagde gehuwd is met Magdalena Thomas, dochter van Theofilns Thomas, gewezen districtshoofd van Menado, zoodat met het oog op het bepaalde bij Stsbl. 1882 No. 19, juncto Sts.bl. 1867 No. 10, behoort te worden nagegaan of beklaagde in casu voor den Landraad te Menado, dan wel voor den Raad van Justitie te Makassar behoort terecht te staan;

O. daaromtrent, dat volgens de beslissing van het HoogGerechtshof van Nederlandsch Indië ddo. 21 December 1893 (vide het Recht in Ned.-Indië dl. 62 pag. 109) een Inlandsch hoofd, dat geacht moet worden te behooren tot de hoofden in art. 2 Sts.bl. 1874 No. 94a aangeduid, na zijn aftreden of ontslag strafrechterlijk vervolgd wordende krachtens het bepaalde bij art. 3a van Sts.bl. 1867 No. 10, evenals de daarin genoemde Inlandsche vorsten enz. voor den Raad van Justitie terecht moet staan en dus mede begrepen is onder de persoi.en vermeld in genoemde art. 3a ;

O. dat art. 2 van Sts.bl. 1882 No. 19 omtrent de districtshoofden in de residentie Menado hetzelfde bepaalt als art. 2 van Sts.bl. 1874 No. 94a, omtrent de daarin genoemde hoofden, zoodat, is genoemde beslissing juist, ook de districtshoofden in de residentie Menado begrepen zijn onder de personen vermeld in art. 3a van Sts.bl. 1867 No. 10, en mitsdien ingevolge art. 3b van genoemd Sts.bl., dat spreekt van familieleden van de in art. 1 en Lt. A van artikel 3 genoemde personen, beklaagde, zijnde een schoonzoon van een gewezen districtshoofd "i de residentie Menado, in casu stellende toch het hem ten laste gelegde daar een misdrijf, terecht behoort te staan voor den Raad van Justitie;

O. echter, salva reverentia, dat dezerzijds met de leer, vervat 'n genoemde beslissing, niet kan worden ingestemd ;

O. toch dienaangaande, dat de wetgever in Sts.bl. 1867 No- 10 spreekt lo in art. I van Inlandsche vorsten, rijksbestierders, regenten en onderregenten zoolang zij niet als zoodanig