is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat deze vraag ontkennend inoet worden beantwoord ten aanzien van de sub a, b, c en d vermelde, zulks op grond dat uit de bewoordingen van artikel 26 van Staatsblad I 885 No. 87 ten duidelijkste blijkt, dat de bepalingen van dat Staatsblad alleen betrekking hebben op schepen, die de wet als zeeschepen aanmerkt, tot welke schepen, blijkens de duidelijke bewoordingen van artikel 1 d. van Staatsblad 1874 No. 118, visschersvaartuigen niet belmoren, waaruit dus volgt, dat de eigenaars van laatstgenoemde vaartuigen alleen zijn gebonden aan de bepalingen van het speciaal voor die vaartuigen vervaardigde Staatsblad 1874 No. 152, welk Staatsblad voor die personen alleen voorschrijft het hebben van passen, afgegeven door de betrekkelijke hoofden van plaatselijk bestuur, welke passen van kracht blijven zoolang de vaartuigen niet van eigenaren of bestemming veranderen, doch in geen geval langer dan één jaar (wel te onderscheiden van de jaarpassen, waarvan Staatsblad 1874 No. 13-3 spreekt) en niet bepaalt dat de houder van zulk een pas dien bij zich moet hebben, wanneer hij met zijn vaartuig een haven binnenloopt, op grond derhalve van het feit, dat de sub a, b, c en d genoemde Sampee, Tipin, Kasdan, llamidjan en vSidas niet strafbaar zijn ter zake van het niet bij zich hebben van de passen voor hunne vaartuigen;

O. dat deze vraag e/eneens ontkennend moet beantwoord worden ten aanzien van de sub e vermelde, zulks op grond, dat uit de bij de stukken overgelegde passen van Sikam en Sarki vd. blijkt, dat deze zijn uitgegeven respektievelijk op 21 November 1893 en 22 September 1893, mitsdien dat zij in de maand Januari 1894 nog geldig waren;

O. dat in de tweede plaats de vraag rijst, of die feiten eenig ander misdrijf of eenige overtreding daarstellen ;

O. dat ook deze vraag ontkennend moet beantwoord worden, aangezien het eenig artikel, binnen welks bereik zij zouden kunnen vallen, is artikel 328 van het Inlandsch Strafwetboek en van oplichting in de gevallen vermeld sub a, b, c en d geen sprake kan zijn, vermits het toch van den in hoofde dezes genoemden Salim bekend wat (in allen gevalle kon zijn)