is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. nu dat de appellant en gedaagde a minima het in dat artikel wil doen voorkomen, alsof hij, naar aanleiding van door Majoor W., na afloop eener bataljon-manoeuvre, ter ongeschikter plaatse aan zijne onderhebbende Officieren gemaakte „bemerkingen en standjes," die, „wat vorm en wijze betreft, zóó onbetamelijk waren", dat appellant zich schaamde die in détails medetedeelen, dien Hoofd-Officier, strikt binnen de grenzen voor den ondergeschikte jegens den meerdere bepaald, van zijn gevoelen (alzoo van zijne afkeuring) had doen blijken en dat de Majoor, gelijk hij later had ervaren, hem dit hoogst kwalijk had genomen ;

dat hierin onder anderen de oorzaak moest worden gezocht, waarom Majoor W. omtrent appellant een ongunstig oordeel in diens conduite-staat had uitgebracht, volgens hetwelk appellant, die naar zijne meening te voren goed stond aangeschreven, door evengenoemden zijnen chef ongeschikt was verklaard voor den Hoofd-Officiers-rang;

O. echter dat de op het voorgaande betrekking hebbende zin of passage van het geïncrimineerd artikel „De Majoor W. heeft den ondergeteekende" (appellant) „afgemaakt" (d. i. zonder gegronde redenen voor verdere bevordering ongeschikt verklaard) daardoor niet wordt gerechtvaardigd, vermits, afgescheiden daarvan wat die Hoofd-Officier door zijne positie tot oordeelen over de geschiktheid zijner onderhebbenden geroepen verklaard had, dat appellant, als kapitein, volkomen voldeed, uit de overgelegde den appellant in rechten voorgehouden conduitestaten blijkt, dat, om van enkele vroegere minder gunstige te zwijgen, reeds tijdens de in 1891, alzoo ongeveer twee jaren vóór appellants pensioneering, door den toenmaligen kommandant der eerste militaire afdeeling op Java gehouden inspectie over het te Buitenzorg in garnizoen liggende 18de bataljon infanterie, waarbij appellant destijds als kapitein geplaatst was, twijfel was gerezen omtrent zijne geschiktheid voor den Majoorsrang;

O. dat nog minder duidelijk is, hoe het vervolgens medegedeelde, op een militairen marsch naar Oeloe Limau Manis voorgevallene, en waarbij wordt te kennen gegeven eenerzijds, dat