is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verstaat dat de in beide instantien gevallen kosten en misen der Justitie mitsgaders die van den processe zullen komen ten laste van den Lande.

Zitting van 3 Augustus 1 < s 94.

Voorzitter: als voren.

Artt. 99 en 100 Crim. Wetb.— Trekken van het geweer. — Bedreigingen.

Het trekken van het geweer tegen een meerdere is alleen dan strafbaar als feitelijke insubordinatie, bedoeld in art. 100 van het Crim. Wetb., wanneer de dader tevens den wil heeft om zijn meerdere aan te vallen, terwijl, indien hij zich er toe bepaalt dezen op zekeren afstand daarmede te dreigen, het feil valt onder het bereik van art. 99 ibidem.

HET HOOG-MIL1TAIR-GERECHTSHOE,

Gezien het vonnis van eeuen daartoe benoemden Krijgsraad te Bandjerraasin tegen den in hoofde dezer genoemden beklaagde gewezen op 16 en uitgesproken op 19 Juni 1S94, waarbij hij is schuldig verklaard aan : „feitelijke insubordinatie en het plegen van gewelddadigheden tegen een bedienend beambte der openbare macht in de waarneming zijner bediening, beide onder verzachtende omstandigheden" en overzulks veroordeeld tot de strai van militaire detentie voor den tijd van één jaar, met verwijzing voorts in de kosten en misen der Justitie, zoomede in die van den processe;

Gelezen den namens den appellant op 12 Juli 1894 gedienden eisch in appèl, waarbij wordt geconcludeerd : „tot correctie van bet vonnis a quo";

Nog gelezen de door den geappelleerde R. O. op 17 Juli» 1894 gedienden schriftuur van antwoord in appèl, waarbij wordt geconcludeerd: „dat het Hof, met tenietdoening van het appèl