is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dit te meer klemt, omdat, waar in een verderen d. i. in den derden graad, alle adoptief kinderen van het genot van het fidei-commis ten eenenmale zijn uitgesloten, geheel in overeenstemming hiermee in het codicil dan ook niet meer van descendenten in het algemeen, maar speciaal van wettige descendenten als de zoodanigen, welke in dien graad tot het genot van het fidei-commis gerechtigd zijn, wordt gewag gemaakt, zooals zulks namelijk blijken kan uit de navolgende in het codicil voorkomende bewoordingen: „En dat laatstelijk in de derde graad komen zullen „de wettige descendenten uit de tweede graad, met uitzondering „hierboven gemeld", welke uitzondering blijkbaar de wettige kinderen van de bij testament of andere acte aangewezen adoptief kinderen in den tweeden graad betreft;

dat echter ook zelfs bij eene ontkennende beantwoording van de bovenbedoelde vraag, de meergemelde adoptief kinderen, met het oog op het feit dat hier in het codicil niet van „descendenten tevens erfgenamen", maar van „descendenten en erfgenamen" gesproken wordt, in allen gevalle reeds als eifgenainen van hunnen adoptief vader (Scipio IJsbrand Helvetius van Riemsdijk) op het recht van aanwas ten aanzien van de uitgestorven staken kunnen aanspraak maken, bepaaldelijk dus ook op de aandeelen, vrij gekomen door het overlijden van de weduwe van Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk, van Adriana Henriette van Riemsdijk en Johanna Maria van Alken, weduwe van Jacobus Johannes Helvetius van Riemsdijk;

dat het alleen nog de vraag is of dat recht van aanwas zich zoo ver uitstrekt, dat daaronder valt het recht voor de adoptief kinderen van Scipio IJsbrand Helvetius van Riemsdijk om, bij overlijden van een of meer hunner adoptitf broeders of zusters, ook elkaar onderling in het genot van het fidei-commis op te volgen ;

dat echter deze vraag te hunnen aanzien in casu niet behoeft te, worden onderzocht;

dat toch de adoptief broeders en zusters van appellante, voor zoover zij met de in de onderwerpelijke zaak te nemen beslissing in verband staan, respectievelijk op 12 April 1337, 2 Juli 1837,