is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een theologisch dogme, zonder practisch gevolg voor de rechtspraak of de studie der wet.

De eenige taak der latere wetgeleerden is dus, den inhoud der Toehfah en der Nibajah nader te verklaren en op hunnen tijd toe te passen, of ook, waar dit eene enkele maal noodig blijkt, aan te vullen. Hieruit vloeit van zelf voort, en Sajjid Oethinau wijst er ten overvloede op, dat de qadhi en de moefti zich in hunne vonnissen en uitspraken ook op jongere schrijvers mogen beroepen, mits de aangehaalde werken nauwkeurig hetzelfde bevatten als de Toehfah en de Nihajah of met gezag een onderwerp behandelen, dat in die beide werken onvermeld gebleven is f 1 ).

De hoofdstukken 8—13 behandelen allerlei, dat betrekking heeft op de ambten van den qadld, d.i. den rechter volgens de Mohammedaansche wet, en van den moefti, d.i. den wetgeleerde, die met gezag de wet verklaart. De schrijver bespreekt in het. kort de vereischten, waaraan de qadhi zou moeten voldoen; opzettelijk druk ik dit conditioneel uit, daar men omnium consensu thans overal vergeefs eenen daaraan beantwoordenden candidaat zou zoeken. We vernemen dan ook verder, dat een wettig aangesteld qadhi, die een of meer van bedoelde qualiteiten mist, als qadhi ad-dhatoerah (qadhi uit nooddwang, bij gebrek aan beter) toch erkend behoort te worden.

(1) Men ziet dus, hoe de qadhi en moefti bij elk onderdeel hunner werkzaamheid gebonden zijn aan gezaghebbende beslissingen en hoe onjuist de uitspraak is, door Prof. Veth (Java I; 343) ik weet niet aan welke autoriteit ontleend: „zij (de qadhi's) moesten met de beginselen van den Islam en de uitspraken der gezaghebbende rechtsgeleerden bekend zijn, maar volgden overigens in hunne beslissingen de inspraken van hun verstand en geweten, zonder aan eenige bijzondere voorschriften of geschreven wetten gebonden te zijn". Deze geheele bewering, die ongeveer juist het omgekeerde van de waarheid bevat, berust waarschijnlijk op misverstand van de leer van het bewijs in het Moslimseh recht. Behalve de bekentenis, het getuigenbewijs en den eed kent bedoeld recht namelijk als bewijsmiddel de wetenschap des rechters ten aanzien van eenig feit en heet het in dien zin in de wetboeken : „de qadhi mag rechtspreken naar zijne wetenschap'.