is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelezen den namens den appellant op 27 November 1894 gedienden eisch in appèl, waarbij wordt gerefereerd aan 's Hofs prudentie;

Nog gelezen de door den geappelleerde R. O. op 30 November 1894 gediende schriftuur van antwoord in appèl, waarbij wordt geconcludeerd, dat het Hof den beklaagde niet ontvankelijk zal verklaren met het door hem geinterjecteerd appèl, doch den Advocaat-Fiscaal zal autoriseeren om van het vonnis, tot handhaving van het recht der Hooge Overheid, te provoceeren aan den Hovè, naar vereisch ;

Subsidiair (eisch a minima): dat het Hof, met tenietdoening van het appèl en ontvangst van den eisch a minima, het vonnis, waarvan appèl, zal verbeteren, den beklaagde zal veroordeelen tot de straf van militaire gevangenis voor den tijd van vijf jaren, ter vervanging van dwangarbeid buiten den ketting van gelijken duur en in de kosten der appellatoire instantie en overigens het vonnis zal bekrachtigen ;

Gezien de verdere stukken van den processe, zoo ter eerste instantie, als in appèl gediend ;

O. dat de beklaagde, thans appellant en gedaagde a minima, te bekwamer tijd van het tegen hem gewezen vonnis is gekomen in hooger beroep en bij de behandeling hiervan door den Advocaat-Fiscaal voor de Land- en Zeemacht in NederlandschIndië, in voege voorschreven, is gediend van eisch a minima;

O. dat de appellant R. O. tegen dit beroep reeds dadelijk heefi aangevoerd, dat de appellant verkeerde in volledige confessie van het misdrijf, ter zake waarvan hij is veroordeeld, mitsdien geen beroep is toegelaten en de appellant derhalve daarmede behoort te worden verklaard niet ontvankelijk;

O. te dien aanzien, dat deze exceptie voor toewijzing niet vatbaar is, daar eene volledige of zoogenaamde crimineele confessie behoort te betreffen het feit, de omstandigheden waaronder dat feit werd gepleegd en het misdadig karakter daarvan;

dat de appellant in eersten aanleg wel heeft erkend de Inlandsche vrouw Soeratni, door haar met een kapmes te slaan, aan hoofd en rechterarm te hebben verwond, doch tevens heeft