is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de ingediende memorie slechts met een kruisje onderteekend zijnde, in de eerste plaats moet worden nagegaan of op dat geschrift door den rechter in cassatie mag worden gelet;

O. alsnu dienaangaande, dat art. 195 van het Inlandsch Reglement aan partijen de bevoegheid toekent in het cassatieproces de noodige memoriën en nadere bescheiden in te leveren, waaruit volgt, dat die schrifturen of door de betrokkenen zelve of door hunne gemachtigden moeten worden onderteekend, ten blijke dat zij van partijen afkomstig zijn, in verband waarmede de onderwerpelijke memorie van cassatie, als niet geteekend. buiten het geding behoort te worden gelaten;

O. dat de requirant mitsdien geacht moet worden geene memorie te hebben ingediend houdende de middelen, op grond van welke het beroep is aangeteekend en de wettelijke bepalingen waarvan de schending of verkeerde toepassing beweerd wordt;

O. dat hij derhalve met het door hem ingesteld beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard;

Gelet op de aangehaalde wetsbepaling, op art. 198 jo. art. 192 van het zoogenaamd Inlandsch Reglement en op de artikelen 58 en 432 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering;

Rechtdoende:

Verklaart den requirant niet ontvankelijk met het door liem ingesteld beroep in cassatie.

Veroordeelt hem in de kosten daarop gevallen.

Zitting van 14 Maart, 1895. Voorzitter: als voren.

Aanteekening van cassatie. — Art. 192 jo. 198 Inl. Regl. — Machtiging daartoe.

Indien niet blijkt, dat degene die cassatie heeft aangeteekend van een vonnis van den Landraad, daartoe ingevolge het voorschrift van art 192 jo. 198 van het Inl. Regl. behoorlijk bij