is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelet op de bovenaangehaalde bepalingen en de artikelen 261 s.q.q. en 411 van het Reglement op de Strafvordering;

Rechtdoende:

Vernietigt de beschikking van den President van den Landraad te Clieribon van den 14den November 1894. waarbij deze dien Landraad onbevoegd verklaarde om van de feiten, waarvan Raden Karta Winata en Nji Siti Rapiah voornoemd verdacht worden, kennis te nemen.

Verklaart dien Landraad tot die kennisneming bevoegd.

Verstaat dat de kosten ten deze gevallen zullen komen ten laste van den lande.

CASSATIE.

(Eerste Kamer).

Zitting van 10 Januari 1899.

Voorzitter: als voren.

Artt. 1 en 35 Stbe. 1834 No. 27 ,jo. Stbl. 1891 No. 67.— Positieve of negatieve opgave.

Art Aö van de Ordonnantie op de overschrijving enz., Stbl. 18-34 No. 27 (zooals dat wordt gelezen volgens de Ordon. in Stbl. 1891 No. 67), bepaalt, dat de Notarissen, vóór den tienden dag van elke maand, eene opgave aan den Griffier van den R. v. J. zullen indienen van de overeenkomsten tot overdracht van den eigendom van vaste goederen en van het recht van opstal, zoomede van den eigendom van schepen in art. 1 bedoeld, te hunnen overstaan gesloten.

Die Ordonnantie vordert niet eene zoogenaamde negatieve opgave, ivaar zoodanige overeenkomsten niet zijn gesloten.

IIET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIË, Gelezen de namens den Procureur-Generaal door den Advocaat-Generaal Mr. II. Wichers, onder dagteekening van 1 De-