is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer onbepaalde woorden van artikel 21 voormeld veeleer aan, dat men den rechter in de gelegenheid heeft willen stellen het recht toe te passen, dat het vroegere en in naam geldende bereids verdrongen had en in hoofdzaak met het tegenwoordige overeenkwam, terwijl tevens daardoor de gelegenheid werd geopend het Drukpers-Reglement, ook na de afkondiging eener destijds reeds voorgenomen koloniale strafwetgeving, bruikbaar te doen blijven;

O. alsnu wat de bizonderheden van het geinerimineerd dagblad-artikel betreft, waarvan de beklaagde te recht, op grond van wettige bewijsmiddelen in het vonnis des eersten rechters vermeld, als schrijver is aangemerkt, de volgorde van het vonnis in acht nemende, als volgt behoort te worden beslist;

He. ten aanzien van den getuige van Heutsz:

vooreerst : dat hij als Secretaris der Residentie Tegal, en als zoodanig den Resident van dat gewest bijstaande bij de overschrijving van vaste goederen en het vestigen van hypotheken daarop, bovendien krachtens de wet geroepen om bij ontstentenis, afwezigheid of verhindering het hoofd van gewestelijk bestuur in diens administratieve en rechterlijke functiën te vervangen, was openbaar ambtenaar, immers behoorde tot de ambtenaren, die ten algemeenen nutte en in't algemeen belang een duurzaam ambt uitoefenen en elk in hun werkkring met openbaar gezag bekleed zijn en dat al hetgeen er strafbaars in voorschreven artikel te vinden is tegen hem is geschreven, gedrukt en verspreid „ter gelegenheid" dat is „naar aanleiding", van de waarneming zijner bediening, hangende toch ook de inleidende van dien getuige gegeven persoonsbeschrijving ten nauwste samen met al hetgeen verder volgt;

ten andere (zie vonnis);

A le. dat de passage: „Er had zich enz." tot en met „totaal verdragen heeft" niet alleen is smadend (beleedigend), maar ook bovendien honend, vermits vooreerst het geheel wel de strekking heeft dien ambtenaar in het openbaar belachelijk te maken, derhalve in minachting te brengen en in zijne eer en kieschheid aan te tasten, doch hem tevens wordt verweten dat